00/1096 WW U I T S P R A A K in het geding tussen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant is op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Utrecht onder dagtekening 20 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarbij het besluit van appellant d.d. 20 augustus 1998 is vernietigd. Gedaagde heeft van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 november 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. de Maar, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Gedaagde is op 1 januari 1988 als verzekeringsgeneeskundige bij de toenmalige Bedrijfsvereniging voor Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen in dienst getreden. Op 16 oktober 1990 is zij arbeidsongeschikt geworden wegens klachten van colitis tijdens zwangerschap. Ingaande 17 oktober 1991 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In augustus 1991 heeft zij haar werkzaamheden voor 8 uur per week hervat en in de loop van 1992 uitgebreid naar 12 uur. Zij heeft aanvankelijk haar arbeidsongeschiktheidsuitkering behouden, doch deze werd met ingang van 10 mei 1993 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Tegen dit besluit heeft eiseres geen beroep ingesteld. Op 1 april 1996 heeft gedaagde ontslag genomen. Ter zake van dit ontslag heeft zij geen (aanvullende) WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 3 december 1997 heeft appellant de AAW/WAO-uitkering van gedaagde met ingang van 27 januari 1998 ingetrokken, omdat gedaagde met haar beperkingen in staat werd geacht haar eigen werk volledig te verrichten. Ook tegen dit besluit heeft ge-daagde geen rechtsmiddelen aangewend. Gedaagde, die sedert haar ontslag per 1 april 1996 niet meer heeft gewerkt, heeft ingaande 27 januari 1998 bij appellant een WW-uitkering aangevraagd. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 20 augustus 1998, waarbij het primaire besluit van 24 april 1998 is gehandhaafd, heeft appellant het recht op uitkering afgewezen op de grond dat gedaagde niet aan de referte-eis bedoeld in artikel 17 van de WW voldeed, dat wil zeggen dat zij in de 39 weken voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid op 27 januari 1998 niet in tenminste 26 weken arbeid als werknemer heeft verricht. Tevens overweegt appellant daarbij dat verlenging van de referteperiode op grond van artikel 17a, eerste lid, onder a, van de WW, de zogeheten voorverlenging, met weken gedurende welke geen arbeid is verricht wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid, niet mogelijk wordt geacht omdat gedaagde na 1 april 1996 niet uitsluitend wegens arbeidsongeschiktheid niet heeft kunnen werken. Gedaagde meent dat zij vanaf 1 april 1996 volledig arbeidsongeschikt is geweest en dat de referteperiode met toepassing van artikel 17a, eerste lid, onder a, van de WW daarom moet worden voorverlengd. Zij meent dat het feit dat zij slechts een gedeeltelijke WAO-uitkering ontving niet terzake doet. De Raad overweegt als volgt. Met toepassing van artikel 16, negende lid, van de WW dient de eerste werkloosheidsdag van gedaagde te worden gesteld op 27 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.