00/1616 WW 02/1475 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Gravenhage op 2 maart 2000 gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep tegen het op bezwaar gegeven besluit van appellant van 12 april 1999 gegrond is verklaard en dat besluit, alsmede het daaraan voorafgaande primaire besluit van 19 januari 1999, is vernietigd, zulks met opdracht tot vergoeding van het door gedaagde betaalde griffierecht. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een aantal stukken ingezonden. Appellant heeft een besluit van 17 april 2000 ingestuurd dat strekt ter vervanging van het besluit van 12 april 1999 met het verzoek dat in het kader van dit geding mede te beoordelen. Gedaagde heeft te kennen gegeven het ook met het besluit van 17 april 2000 niet eens te zijn. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 10 juli 2002, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. De feiten, welke in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming. Van die feiten is in het bijzonder van belang dat appellant van gedaagde een bedrag van f 64,71 heeft teruggevorderd en haar een boete van f 300,-- heeft opgelegd wegens het op één uitkeringsdag verrichten van werkzaamheden zonder deze aan appellant op te geven, welke beslissingen bij het besluit op bezwaar van 12 april 1999 zijn gehandhaafd. Gedaagde is in beroep bij de rechtbank enkel tegen de opgelegde boete opgekomen, stellende -samengevat- dat er wat betreft het niet opgeven van de betrokken werkzaamheden geen opzet in het spel is geweest. De rechtbank heeft het besluit van 12 april 1999 vernietigd aangezien namens appellant ter zitting van de rechtbank te kennen is gegeven dat de boete bij nader inzien moet worden verlaagd tot f 100,--. Voorts heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van deze Raad van 7 september 1999 (USZ 1999/290 en RSV 1999/296) ook het op 19 januari 1999 genomen primaire besluit tot oplegging van de boete herroepen. De rechtbank heeft namelijk uit genoemde uitspraak van de Raad afgeleid dat de artikelen 3 en 4 van het Boetebesluit Tica verbindende kracht missen wegens strijdigheid met het bepaalde in artikel 27a, tweede lid, van de WW en in zoverre buiten toepassing dienen te blijven, zodat volgens de rechtbank in dit geval de wettelijke basis voor het opleggen van een boete is komen te vervallen en geen lagere boete kan worden opgelegd. Appellant heeft zich in hoger beroep enkel gekeerd tegen de vernietiging van het primaire boetebesluit van 19 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.