00/6037 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante is mr. T.H.M.M. Kusters, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, op bij het beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een onder dagtekening 5 oktober 2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij schrijven van 6 maart 2001, aangevuld bij brief van 23 april 2001 (met bijlage), van verweer gediend. Hierop is namens appellante bij brief van 17 mei 2001 gereageerd. Door de Raad desverzocht heeft gedaagde bij brief van 11 juli 2002 (met bijlage) nog enige inlichtingen verstrekt, waarop appellante bij brief van 20 september 2002 heeft gereageerd. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 oktober 2002, waar partijen, met kennisgeving, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Centraal in dit geding staat de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit van 2 maart 1999 terecht het bij besluit in primo van 21 november 1997 ingenomen standpunt heeft gehandhaafd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 9 december 1997 minder dan 25 respectievelijk 15% bedraagt en dat zij deswege ingaande die datum geen recht meer heeft op uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust en dat niet gezegd kan worden dat de door de arbeidsdeskundige in de bezwaarfase geduide functies niet in overeenstemming zijn te achten met de medische beperkingen van appellante. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat deze functies eerst op 11 december 1998 aan appellante zijn voorgehouden aanleiding gezien het bestreden besluit in zoverre te vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de uitkering van appellante met ingang van 12 februari 1999 dient te worden ingetrokken. In hoger beroep heeft appellante grieven tegen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aangevoerd. Gedaagde heeft bij brief van 11 juli 2002 aangegeven dat appellante voor de aanvang van haar arbeidsongeschiktheid in de maatgevende arbeid van caissière op wisselende tijden tussen 9.00 en 18.00 uur werkzaam is geweest zonder toeslag voor die wisselende aanvang- en eindtijden. Voorts heeft gedaagde aangegeven dat de voor appellante door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies, uitgezonderd een tweetal, toeslagen kennen voor onregelmatige werktijden. In verband hiermee heeft gedaagde aangevoerd dat als geen rekening wordt gehouden met de onregelmatigheidstoeslagen de inkomsten in die functies er niettemin toe leiden dat geen verlies aan verdiencapaciteit bestaat. De Raad overweegt als volgt. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat, mede gelet op de in de rapportage van 9 juli 2002 vervatte toelichting van de bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven, de in de bezwaarfase van het geding gedane bijstelling van het belastbaarheidspatroon van appellante een juiste weergave vormt van de bij haar ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad dat bij het bestreden besluit de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn ingetrokken per 9 december 1997, op welke datum van toepassing waren de bepalingen van het Schattingsbesluit, zoals dit gold tot 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.