00/2326 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 24 maart 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 3 juli 2002, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. Brouwer, voornoemd, en waar gedaagde zich, zoals tevoren bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden als hier van belang. Appellant is als herintredende WAO-er, die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving naar een mate van 25-35 %, op 6 januari 1997 als werkvoorbereider/ontwerper in dienst getreden bij Technisch Installatieburo Blaauw te Hoogezand. Naast zijn tekenwerkzaamheden werd hem in voorkomende gevallen installatiewerk in een ballasttank opgedragen, dat voor hem, gezien de vereiste werkhouding, belastend was en rugklachten veroorzaakte. Op 20 augustus 1998 heeft hij zijn werkzaamheden gestaakt en zich ziek gemeld. Zonder te hebben hervat heeft hij zijn dienstverband met ingang van 15 oktober 1998 beëindigd. Hij heeft ingaande die datum WW-uitkering aangevraagd. Die uitkering is door gedaagde aanvankelijk blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant, door zelf ontslag te nemen, verwijtbaar werkloos is geworden. Bij het bestreden besluit van 27 september 1999 heeft gedaagde -onder meer- dit besluit herzien in die zin dat de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk is geweigerd door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.