01/3988 MPW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant] wonende te [woonplaats], appellant, en de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 mei 2001, nr. AWB 00/11883 MPW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 maart 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart, verbonden aan ACOM, CNV-bond van Militairen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach, werkzaam bij UWV-USZO. II. MOTIVERING In dit geding is de toepassing van de Algemene militaire pensioenwet (hierna: de Wet) aan de orde. De Wet is bij het ingevolge de Kaderwet militaire pensioenen gegeven koninklijk besluit van 29 mei 2001, Stb. 260, met ingang van 1 juni 2001 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen. In dit geding is evenals in eerste aanleg de vraag aan de orde of de voor appellant vastgestelde invaliditeit met dienstverband met 50% is onderschat. De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft aangenomen. Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak, waarin voornoemde vraag ontkennend is beantwoord, niet verenigen. Evenals bij de rechtbank voert appellant in hoger beroep aan dat het onderzoek naar de mate van invaliditeit met dienstverband niet volledig en zorgvuldig is geweest, althans dat nieuwe feiten niet of onvoldoende zijn meegewogen, en dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe aan de hand van de WPC-schaal (vergelijkenderwijs) is geschat. Voorts is appellant van mening dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een nadere bespreking van de klacht met betrekking tot de inschatting van de mate van invaliditeit als gevolg van de kaakfractuur, welke volgens appellant ten onrechte op nihil is gesteld. Ook de visie van gedaagde dat het invaliditeitspercentage van de slijtage van het gewrichtskraakbeen op 10% moet worden gesteld, is naar mening van appellant ten onrechte door de rechtbank aanvaard. De Raad overweegt het volgende. Uit de stukken blijkt dat de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen zowel in augustus 1996 als in januari 1998 ten aanzien van appellant geneeskundig onderzoek heeft verricht, waarbij appellant onder meer is onderzocht door de orthopedisch chirurg drs. H. Yard en waarbij de uitvoerige informatie van de artsen die appellant hebben behandeld is betrokken. Van het onderzoek dat de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen in januari 1998 heeft verricht, is rapport uitgebracht op 6 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.