00/4805 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft vervolgens bij een tweetal brieven vragen van de Raad beantwoord. Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant bij brief van 14 december 2001 enkele stukken aan de Raad gezonden. Gedaagde heeft desgevraagd bij brief van 21 maart 2002 gereageerd op deze stukken. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 december 2002, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Appellant is kennelijk tot in 1990 werkzaam geweest in Nederland en heeft in ieder geval tot en met het derde kwartaal van 1991 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen voor zijn in Marokko verblijvende kinderen. Nadien is appellant teruggekeerd naar Marokko alwaar hij thans woont. Bij brief van 10 mei 1993 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij over het eerste kwartaal van 1992 tot en met het eerste kwartaal van 1993 geen recht heeft op kinderbijslag voor zijn kinderen, omdat hij niet als ingezetene in de zin van de AKW kan worden beschouwd. Daarbij is appellant erop gewezen dat hij binnen twee maanden een "voor beroep vatbare beslissing" kan aanvragen als hij meent dat de beslissing onjuist is. Namens appellant is in bezwaar en in hoger beroep een kopie overgelegd van een brief welke volgens appellant door zijn echtgenote op 21 juni 1993 in reactie op de brief van 10 mei 1993 aan gedaagde is gezonden en waarin is medegedeeld dat appellant werkzaam is geweest in Nederland en dat hij ziek is. Tevens is in deze brief een registratienummer AAW/WAO van appellant vermeld en is verzocht alsnog de kinderbijslag te betalen. Bij brief van 3 september 1998 heeft de echtgenote van appellant aan gedaagde verzocht kinderbijslag toe te kennen. Daarbij is een kopie van een beslissing van GAK Nederland B.V. van 1 mei 1998 overgelegd. Bij die beslissing zijn ingaande 21 juni 1991 aan appellant uitkeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft vervolgens ingaande het derde kwartaal van 1995 kinderbijslag aan appellant toegekend. Bij beslissing op bezwaar van 29 maart 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn besluit van 30 november 1998, waarbij kinderbijslag over kwartalen gelegen vóór het derde kwartaal van 1998 is geweigerd, gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat op grond van artikel 14, derde lid, van de AKW, zoals dat artikel luidde tot 29 december 1995, het recht op kinderbijslag niet kan worden vastgesteld over tijdvakken gelegen drie jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welke de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. Naar het oordeel van gedaagde was geen sprake van een bijzonder geval, waarin afgeweken kan worden van de hiervoor genoemde termijn van drie jaar, omdat appellant zijn aanspraken op kinderbijslag veilig had kunnen stellen door bij aanvang van de procedure over zijn aanspraak op WAO/AAW-uitkering een aanvraag om kinderbijslag te doen. De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagde zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval. De Raad overweegt het volgende. Allereerst stelt de Raad vast dat namens gedaagde ter zitting van de Raad is verzocht het bestreden besluit te vernietigen, omdat het onzorgvuldig is voorbereid nu niet is onderzocht of de door appellant overgelegde brieven zijn ontvangen en hoe daarop is gereageerd. De Raad onderschrijft het standpunt van gedaagde dat sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, doch is van oordeel dat, gelet op het feit dat gedaagde reeds in de bezwaarfase bekend was met deze stukken en in hoger beroep naar aanleiding van vragen van de Raad geen enkel nader onderzoek naar die stukken heeft plaatsgevonden, er in deze procedure van moet worden uitgegaan dat de door appellant overgelegde kopieën van brieven daadwerkelijk aan gedaagde zijn verzonden. Tussen partijen is ook in hoger beroep slechts in geschil of gedaagde terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de AKW, en of gedaagde op die grond terecht heeft geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen over kwartalen gelegen vóór het derde kwartaal van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.