00/2633 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 7 januari 1998 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 1985 als volledig arbeidsongeschiktheid wordt beschouwd en dat zijn uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), onder toepassing van artikel 35, tweede lid, van de WAO, met ingang van 18 december 1990 wordt herzien en wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 8 december 1998 heeft gedaagde het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 30 maart 2000 appellants beroep tegen het besluit van 8 december 1998 ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, bij beroepschrift van 9 mei 2000, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Op 4 september 2000 zijn namens appellant aanvullende beroepsgronden ingediend. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 oktober 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. de Roy van Zuydewijn voornoemd, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, niet is verschenen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is met ingang van 20 maart 1975 in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 december 1977 heeft gedaagde deze uitkering herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant heeft hierin berust. Op 18 december 1991 heeft appellant gedaagde verzocht om een herkeuring. Na een op verzoek van gedaagde door onder andere de toenmalige Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) ingesteld onderzoek heeft gedaagde vervolgens besluiten van 20 april 1994 en 8 december 1995 genomen. Bij deze besluiten heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de WAO op uitsluitend arbeidskundige gronden per 1 januari 1985 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en per 1 januari 1989 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 juli 1997 het tegen deze besluiten ingestelde beroep op arbeidskundige gronden gegrond verklaard en het besluit van 20 april 1994 gedeeltelijk, en dat van 8 december 1995 geheel vernietigd. Bij zijn besluit van 7 januari 1998 heeft gedaagde opnieuw in de zaak voorzien en de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 december 1990 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft vervolgens bij het besluit van 8 december 1998 de bezwaren van appellant tegen het besluit van 7 januari 1998 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat appellants uitkering ingevolge de WAO eerst met ingang van 18 december 1990 wordt herzien, aangezien appellant op 18 december 1991 een verzoek tot herziening heeft ingediend. Naar het oordeel van gedaagde is in dit verband niet gebleken van zodanige omstandigheden dat een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO kan worden aangenomen. Het feit dat gedaagde bij de besluiten van 20 april 1994 en 8 december 1995, abusievelijk en zonder enige afweging terzake van het al dan niet aanwezig zijn van een bijzonder geval, appellants uitkering met ingang van 1 januari 1985 en 1 januari 1989 heeft verhoogd, betekent niet dat om díe reden sprake is van een bijzonder geval. Van andere omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat appellant niet eerder in staat was om herziening van zijn uitkering aan te vragen, is gedaagde niet gebleken. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 8 december 1998 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin van artikel 35, tweede lid, van de WAO. De rechtbank is van oordeel dat door appellant tegen de opvatting van gedaagde dat er voor hem geen belemmeringen waren tijdig(er) een aanvraag in te dienen, te weinig is ingebracht om gedaagdes beslissing dat er geen sprake is van een bijzonder geval onhoudbaar te achten. De rechtbank is van oordeel dat niets appellant in de weg stond eerder een aanvraag te doen. De rechtbank overweegt voorts dat nu in de besluiten van 20 april 1994 en 8 december 1995 een motivering ontbreekt op grond waarvan wordt gekomen tot de desbetreffende ingangsdata van de verhogingen, hieruit niet volgt dat er dus sprake was van het aannemen van een bijzonder geval. Het behoort tot de bevoegdheid van gedaagde om terug te komen op dit eerder ingenomen standpunt, tenzij algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzetten, waarvan de rechtbank niet is gebleken. De rechtbank overweegt voorts dat er geen sprake is van reformatio in peius nu appellant door het instellen van beroep materieel niet in een slechtere positie is gekomen aangezien in het besluit van 8 december 1998 is overwogen dat de reeds tengevolge van de vernietigde besluiten van 20 april 1994 en 8 december 1995 uitbetaalde bedragen niet van appellant worden teruggevorderd. In hoger beroep is namens appellant als zijn standpunt naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat gedaagde speelruimte had te weigeren om de uitkering eerder te verhogen dan met ingang van 18 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.