01/1393 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 10 november 1999 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 september 1999, waarbij door gedaagde de gedifferentieerde premie voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor appellante voor 2000 is vastgesteld op 3,57 %. De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 4 januari 2001 het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellante is bij gemachtigde mr. R.L.J.J. Vereijken, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Roermond, op bij aanvullend beroepschrift - met bijlagen - van 17 april 2001 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 december 2002, waar voor appellante, zoals tevoren schriftelijk aangekondigd, niemand is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.W.F. Mezenberg, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij besluit van 10 november 1999 heeft gedaagde het standpunt gehandhaafd dat voor appellante de gedifferentieerde premie voor de WAO in het premiejaar 2000 3,57 % bedraagt. De hoogte van deze gedifferentieerde premie is mede gebaseerd op de in het jaar 1998 ten behoeve van de (ex) werkneemster van appellante [naam werkneemster] (hierna: werkneemster) betaalde uitkering ingevolge de WAO. In beroep is namens appellante aangevoerd dat de WAO-uitkering van haar voormalig werkneemster buiten beschouwing dient te blijven omdat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet gelegen was binnen de periode van het dienstverband. Tevens is namens appellante in beroep verzocht om alsnog inzage te krijgen in de stukken die betrekking hadden op de toekenning van de WAO-uitkering van de werkneemster. Nadat de werkneemster daarvoor toestemming had verleend, heeft gedaagde blijkens de aangevallen uitspraak de stukken met medische gegevens met betrekking tot de toekenning van de WAO-uitkering in het geding gebracht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat, nu gedaagde de relevante stukken in het geding heeft gebracht, en appellante in staat is geweest te reageren op de toekenning van de WAO-uitkering aan de werkneemster, de uit artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende elementaire eisen niet zijn geschonden. Ter zake van de eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij appellante is aangemerkt als eiseres en gedaagde als verweerder: "Na een periode van arbeidsongeschiktheid vanaf 12 november 1996 is de werkneemster [naam werkneemster]., die sedert 4 maart 1996 werkzaam was voor eiseres, ingaande 18 november 1996 hersteld verklaard. Vervolgens is het dienstverband per 30 november 1996 beëindigd. Op 13 december 1996 (dat wil zeggen binnen 4 weken na 18 november 1996) is [naam werkneemster]. opnieuw ziekgemeld, waarna zij ingaande 8 december 1997 in aanmerking is gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WAO heeft de verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest en indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel 19 van de WAO worden voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. De rechtbank oordeelt in navolging van verweerder dat op grond van het voorgaande de eerste ziektedag van [naam werkneemster]. moet worden vastgesteld op 12 november 1996, op welke dag zij nog een dienstverband had met eiseres.". In hoger beroep heeft appellante ontkend dat zij hangende de beroepsprocedure alsnog de beschikking heeft gekregen over de gegevens met betrekking tot de toekenning van de WAO-uitkering aan de werkneemster. Ter zake van de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van de werkneemster heeft appellante opgemerkt dat zij zich niet heeft kunnen vergewissen van de juistheid van het standpunt van gedaagde nu zij niet beschikt over de ter zake relevante stukken, doch voorshands heeft zij opgemerkt het onredelijk is om haar de WAO-uitkering toe te rekenen indien de arbeidsongeschiktheid van 13 december 1996 van andere aard is dan die van 12 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.