00/5989 AOR U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, appellant, en Gedaagde, wonende te woonplaats, gedaagde., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2000, reg. nr. 00/2436 WET, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank het namens gedaagde tegen het besluit van 25 februari 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat aan gedaagde een uitkering krachtens de Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen wordt toegekend ten bedrage van f. 1000,-- en voorts een bepaling gegeven met betrekking tot het vergoeden van het griffierecht. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 maart 2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D. Stoutjesdijk, advocaat te Den Haag. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht. II. MOTIVERING Onder verwijzing naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in deze gedingen relevante feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het navolgende. In hoger beroep is evenals in eerste aanleg de vraag aan de orde of de staatssecretaris op goede gronden het verzoek van gedaagde om toekenning van een eenmalige uitkering van f. 1.000,- op grond van de wet van 17 december 1997, Stb. 1997, 728, Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen (hierna: UDV) heeft afgewezen. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank niet en overweegt daartoe als volgt. De UDV maakt deel uit van een sedert begin 1990 in het kader van het veteranenbeleid tot stand gebrachte reeks van wettelijke maatregelen, waarin aan de in de betrokken wetten genoemde groepen veteranen op de daarin vervatte voorwaarden een recht op uitkering toekomt. De Raad acht het voor de behandeling van het thans aan de orde zijnde geschil aangewezen aandacht te besteden aan het geheel van en de samenhang tussen de in het kader van het veteranenbeleid tot stand gebrachte regelingen. Hierbij neemt de Raad tot uitgangspunt dat, naar blijkt uit de door de Minister van Defensie in maart 1990 uitgebrachte nota "Zorg voor veteranen in samenhang", de grondslag van het veteranenbeleid wordt gevormd door de opvatting dat veteranen recht hebben op respect en waardering voor hun inzet en de door hen gebrachte offers. Naar aanleiding van een tijdens de behandeling van voornoemde nota in de Tweede Kamer aangenomen motie (Kamerstukken II, 1990/1991, 21490, nr. 7) is besloten om aan gewezen dienstplichtigen van de Nederlandse krijgsmacht, die tenminste vijf jaren dienst hebben gedaan en aan deze diensttijd geen pensioenaanspraak kunnen ontlenen, aanspraak toe te kennen op een eenmalige uitkering van f. 7.500,-. Daartoe is tot stand gebracht de Uitkeringswet financiële compensatie langdurige militaire dienst (Stb. 1992, 367, hierna: UFC). De UFC sluit aan bij de regeling waarbij aan oorlogsvrijwilligers en beroepsmilitairen van de Nederlandse krijgsmacht, die tenminste vijf jaren dienst hebben gedaan, ingevolge de militaire pensioenwetten een diensttijdpensioen kan worden toegekend en beoogt op billijkheidsgronden een verschil in behandeling tussen verschillende groepen vrijwillig dienende militairen van de Nederlandse krijgsmacht weg te nemen. Aangezien gewezen dienstplichtigen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) aan de UFC geen aanspraken konden ontlenen, is ten behoeve van deze categorie veteranen tot stand gebracht de Uitkeringswet KNIL-dienstplichttijd ( Stb. 1994, 50, hierna: UKD), op grond waarvan gewezen KNIL-dienstplichtigen die onder meer voldoen aan de ingevolge de UFC gestelde voorwaarden eveneens een aanspraak wordt toegekend op eenzelfde eenmalige uitkering van f. 7.500,-. Ten behoeve van degenen die als militair zijn uitgezonden geweest en/of onder buitengewone moeilijke omstandigheden langer dan twee doch korter dan vijf jaar hun werkelijke dienst hebben verricht, is tot stand gebracht de UDV, waarbij aan deze categorie veteranen aanspraak op een eenmalige uitkering van f. 1.000,- wordt toegekend als vorm van erkenning voor de moeilijke oorlogsomstandigheden waaronder deze groep heeft moeten functioneren. De aanvankelijk in de UDV opgenomen voorwaarde dat alleen voor uitkering in aanmerking kwamen diegenen voor wie de diensttijd niet in hun ouderdomspensioen of anderszins is gecompenseerd, is bij inwerkingtreding van de wet van 28 januari 1999, Stb. 1999, 50 (naar aanleiding van een initiatiefwetsvoorstel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.