01/1016 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant en [naam B.V. I.], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 15 maart 2001 (met bijlage) aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Breda onder dagtekening 29 december 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft drs. M.A.B. Speetjens, belastingadviseur te Tilburg, bij schrijven van 13 april 2001 van verweer gediend. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 5 maart 2003 de Raad nadere stukken doen toekomen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 april 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.F.K. ter Hennepe, werkzaam bij het UWV, terwijl voor gedaagde is verschenen [naam directeur], directeur van gedaagde, en drs. Speetjens, voornoemd, als gemachtigde. II. MOTIVERING Vanaf de oprichtingsdatum van gedaagde (26 juni 1997) is enig aandeelhoudster [naam enig aandeelhoudster] De aandelen van [naam enig aandeelhoudster] worden voor 33,33 % gehouden door [bedrijf I], voor 33,33% gehouden door [naam bedrijf II], voor 16,67% door [bedrijf III] en voor 16,67% door [bedrijf IV]. Van de drie genoemde besloten vennootschappen zijn onderscheidelijk [naam directeur I], [naam directeur II] en [betrokkene] directeur en enig aandeelhouder. Deze besloten vennootschappen hebben met gedaagde managementovereenkomsten gesloten, inhoudende de verplichting de overeengekomen managementwerkzaamheden te doen uitvoeren door hun directeuren, zijnde [naam directeur I], [naam directeur II] en [betrokkene] (hierna: betrokkenen). Bij besluit van 17 februari 1998 heeft appellant gedaagde medegedeeld dat betrokkenen en voor haar in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam zijn en deswege zij gehouden is premies af te dragen over de aan hen verrichte betalingen. Bij het na bezwaar genomen besluit van 15 mei 1998 heeft appellant gehandhaafd zijn standpunt dat betrokkenen primair in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 3 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en subsidiair in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 5, aanhef en onder d, van voornoemde wetten in verbinding met het Koninklijk Besluit van 24 december 1986, Staatsblad 655 (hierna: het KB), tot gedaagde staan. De rechtbank heeft bij uitspraak van 3 maart 1999 het tegen het besluit van 15 mei 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en appellant opgedragen het door gedaagde betaalde griffierecht te vergoeden. Na heroverweging heeft appellant bij het thans aan de orde zijnde bestreden besluit van 3 april 2000 gemotiveerd gehandhaafd zijn standpunt zoals eerder weergegeven bij besluit van 17 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.