00/3987 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 14 juni 2000 tussen partijen gewezen uitspraak met reg.nr. 99/2079 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 18 maart 2003, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Suijkerbuijk, werkzaam bij de gemeente Drimmelen. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Appellante ontving sedert 1 oktober 1991 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW), welke met ingang van 1 januari 1996 is omgezet in een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Deze uitkering is, na onderbreking van 15 maart 1996 tot en met 20 mei 1996, beëindigd met ingang van 1 september 1997 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met R.M. Vonk. Naar aanleiding van in november 1998 van de Belastingdienst ingekomen informatie dat appellante in 1997 een inkomen uit pensioen had ontvangen, is door gedaagde een nader onderzoek ingesteld. Daaruit kwam naar voren dat door de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalindustrie (hierna: PMI) aan appellante in september 1997 een bedrag aan weduwenpensioen over de periode van 1 april 1992 tot en met 31 augustus 1997 is nabetaald. Gedaagde heeft hierop bij besluit van 1 juni 1999 het recht op bijstand van appellante over genoemde periode herzien en met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de teveel verstrekte bijstand tot een bedrag van f 25.162,59 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 19 oktober 1999 is het namens appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 1 juni 1999 ongegrond verklaard. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante nog tijdens de uitkeringsperiode (in augustus 1997) in kennis is gesteld van het haar toekomende recht op nabetaling van het weduwenpensioen, zodat zij gedaagde daaromtrent onverwijld had dienen te informeren. Nu zij dit heeft nagelaten heeft zij volgens gedaagde de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting geschonden. Voor de brutering van het terug te vorderen bedrag heeft gedaagde verwezen naar artikel 90 van de Abw. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 19 oktober 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard voorzover betrekking hebbend op de terugvordering over de periode van 1 april 1992 tot en met 31 juli 1997 en - met instandlating van de rechtsgevolgen - dat besluit in zoverre vernietigd, het beroep ongegrond verklaard voorzover betrekking hebbend op de terugvordering over de maand augustus 1997, en voorts beslissingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde de terugvordering over de periode van 1 april 1992 tot en met 31 juli 1997 ten onrechte op artikel 81, eerste lid, van de Abw heeft gebaseerd, omdat appellante eerst in augustus 1997 vanwege PMI in kennis is gesteld van de herleving van haar recht op weduwenpensioen per 1 april 1992 en het recht op nabetaling daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank diende over de periode van 1 april 1992 tot en met 31 juli 1997 artikel 82 van de Abw als grondslag voor de terugvordering te worden genomen en kon artikel 81, eerste lid, van de Abw uitsluitend voor de periode van 1 tot en met 31 augustus 1997 als wettelijke grondslag dienen. De rechtbank heeft daarbij nog opgemerkt dat het terugvorderingsbesluit is genomen met inachtneming van de verjaringstermijn van artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen dient bij terugvordering over een tijdvak waarin de ABW nog van kracht was waarin - in het geval van appellante van 1 april 1992 tot 1 januari 1996 - te worden bezien of de materiële bepalingen die bij of krachtens de ABW gedurende dit tijdvak hebben gegolden de basis voor terugvordering kunnen vormen. Voor de wettelijke grondslag van de terugvordering dient derhalve te worden onderscheiden in de volgende tijdvakken. 1 april 1992 tot en met 31 december 1995 De rechtbank heeft op zichzelf terecht geoordeeld dat over het onderhavige tijdvak de basis voor terugvordering niet gevonden kon worden in het niet nakomen van de inlichtingenverplichting door appellante, omdat appellante niet eerder dan in augustus 1997 door PMI op de hoogte is gebracht van de de herleving van haar weduwenpensioen en de daaruit voortvloeiende nabetaling. De rechtbank heeft er vervolgens echter ten onrechte aan voorbijgezien dat de terugvordering van de vóór 1 januari 1996 verleende bijstand niet kan worden gebaseerd op artikel 82 van de Abw zoals deze bepaling sedert 1 januari 1996 luidt. Voorts heeft de rechtbank eraan voorbijgezien dat artikel 70 (oud) van de ABW, bepalende dat de rechtsvordering tot verhaal vervalt na verloop van vijf jaar nadat de kosten zijn gemaakt, aan terugvordering over de periode van 1 april 1992 tot 1 augustus 1992 in de weg staat. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het bij de toepassing van die bepaling gaat om de materiële inhoud van de bevoegdheid tot terugvordering (anders gezegd: welke kosten van bijstand de gemeente kan terugvorderen) en niet om toe te passen procedureregels. De Raad verwijst in dit verband nog naar het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 1995, gepubliceerd in NJ 1995/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.