01/4679 ZFW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inko-men in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorga-nisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 21 februari 2000 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 10 november 1999, waarbij appellant heeft vastgesteld dat voor gedaagde na afloop van een periode van arbeidsongeschiktheid, te weten vanaf 9 augustus 1999 een nieuwe wachttijd van een jaar is gaan lopen voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) en hij deswege aangewezen blijft op een particuliere ziektekostenverzekering. De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 27 juli 2001 het door gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift van gedaagde te nemen met inachtneming van deze uitspraak, appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat het griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed. Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 24 september 2001 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Namens gedaagde heeft mr. C.M.H. Hermans, advocaat te Maastricht, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 januari 2003, waar voor appellant is verschenen mr. A.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uwv, en waar voor ge-daagde is verschenen mr. Hermans, voornoemd. II. MOTIVERING Aan gedaagde is met ingang van 3 december 1998 een loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Voor die datum had gedaagde een particuliere ziektekostenverzekering. De aan gedaagde krachtens de WW toegekende uitkering is met ingang van 1 juli 1999 beëindigd in verband met het feit dat hij zich per die datum ziek had gemeld. Per 9 augustus 1999 was gedaagde weer arbeidsgeschikt. Bij brief van 19 augustus 1999 heeft appellant gedaagde laten weten dat hij opnieuw in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de WW en dat zijn ziekteperiode niet van invloed is op de maximale uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering, nu hij korter dan drie maanden ziek is geweest. Naar aanleiding van een door gedaagde ingezonden vragenformulier over de ziekenfondsverzekering heeft appellant bij besluit van 10 november 1999 vastgesteld dat, nu gedurende de periode van 1 juli 1999 tot 9 augustus 1999 sprake is geweest van een uitsluitingsgrond voor de verzekering inge-volge de Zfw, er een onderbreking van het wachtjaar heeft plaatsgevonden met als gevolg dat er vanaf 9 augustus 1999 een nieuw wachtjaar is gaan lopen. Bij besluit van 21 februari 2000 heeft appellant onder verwijzing naar artikel 3 van de Zfw en artikel 7 van de Ziektewet (ZW) zijn besluit van 10 november 1999 gehandhaafd. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, sub 1, van de Zfw, zoals dit artikel luidde in 1999, is verzekerd de werknemer in de zin van de ZW, wiens loon, verdiend in een of meer dienstbetrekkingen in de zin van de ZW, niet meer bedraagt dan f 64.300,-- per jaar, met dien verstande dat ten aanzien van degene die ingevolge artikel 7 van de ZW als werk-nemer in de zin van die wet wordt beschouwd, gedurende het eerste jaar voor zover hij recht heeft op een werkloosheidsuitkering berekend naar 70% van het dagloon, de ver-zekering ingevolge deze wet wordt beoordeeld naar zijn verzekeringssituatie zoals deze gold op de dag voorafgaand aan die waarop dat artikel op hem van toepassing werd. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW bepaalt dat voor de toepassing van deze wet als werknemer wordt beschouwd degene, die krachtens de verplichte verze-kering op grond van de WW uitkering ontvangt. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de visie van gedaagde gedeeld dat in artikel 3, eerste lid, sub 1, van de Zfw niet valt te lezen dat na zijn periode van arbeidson-geschiktheid weer een nieuw wachtjaar is gaan lopen. Daarbij heeft de rechtbank ge-wezen op de wettelijke tekst, waarin naar haar oordeel niet uitdrukkelijk de door appel-lant voorgestane uitleg is te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank moet voor een zo ingrijpende (negatieve) standpuntbepaling als vervat in het bestreden besluit een uit-drukkelijke en niet voor meerdere uitleg vatbare bepaling in de wet kunnen worden aangewezen, hetgeen niet het geval is. De door appellant veronderstelde onderbreking van het wachtjaar vindt dan ook geen basis in de wet. Bij haar oordeelsvorming heeft de rechtbank betrokken 's Raads uitspraak van 16 maart 2000, gepubliceerd in RSV 2000/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.