01/1337 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant is mr. T.E. van Dijk, advocaat te `s-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank `s-Gravenhage onder dagtekening 2 januari 2001 gewezen uitspraak, waarbij het beroep van appellant tegen het door gedaagde op bezwaar gegeven besluit van 17 september 1999 ongegrond is verklaard. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 12 mei 2003 nadere informatie verstrekt. Bij schrijven van 19 mei 2003 heeft gedaagde het verweer nader aangevuld. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 23 mei 2003, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Appellant, geboren in 1953, heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij is op 25 mei 1998 in dienst getreden van [naam project]- en [naam uitzendbureau] Hij is op 15 oktober 1998 wegens ziekte uitgevallen, waarvan op 22 oktober 1998 aan gedaagde melding is gedaan. Desgevraagd heeft appellants werkgever aan gedaagde bij brief gedateerd 12 januari 1999 informatie over appellants dienstverband verstrekt. Uit een zich onder de gedingstukken bevindende telefoonnotitie van 2 maart 1999 blijkt dat namens appellant is verklaard dat hij zich vóór 9 december 1998 niet bij de vreemdelingenpolitie heeft gemeld. Op laatstgenoemde datum is door appellant een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning. Bij besluit van 4 maart 1999 heeft gedaagde appellants aanvraag om een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) afgewezen. Aan deze afwijzing is ten grondslag gelegd dat appellant niet rechtmatig verblijft in Nederland en ook niet in een met rechtmatig verblijf gelijk te stellen positie verkeert. Op die grond wordt appellant door gedaagde niet als werknemer beschouwd, zodat hij geen aanspraak kan maken op uitkering ingevolge de ZW. In het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting is namens appellant aangevoerd dat hij vóór 1 juli 1998 verzekerd was. Er is steeds premie afgedragen en gedaagde heeft keuringen verricht, wat toch aanwijzingen zijn dat ook gedaagde ervan uitgaat dat appellant verzekerd is. Appellants gemachtigde voert aan te weten dat gedaagde beslissingen stuurt aan werknemers en werkgevers waarbij medegedeeld wordt dat de werknemer niet langer verzekerd is voor de sociale verzekeringswetten. Een weigering van uitkering op grond van verblijfsstatus kan niet aan de orde zijn, zolang de verzekering niet is beëindigd. Appellants gemachtigde leidt uit het Besluit toets verzekeringsplicht en de wetsgeschiedenis af dat alle verzekerden dienen te worden getoetst op verblijfsstatus en dat vervolgens beëindigingbeslissingen genomen dienen te worden. Bij besluit van 17 september 1999: hierna het bestreden besluit, heeft gedaagde het besluit van 4 maart 1999 gehandhaafd. Aangegeven wordt dat appellant, op grond van zijn verblijfsstatus, niet als werknemer kan worden aangemerkt in de zin van artikel 3, derde lid, van de ZW, zodat hij niet verzekerd is ingevolge die wet en dienovereenkomstig aan hem geen uitkering toekomt. In beroep zijn namens appellant gegevens in het geding gebracht waaruit blijkt dat appellant sinds 25 mei 1998 werkte bij [naam project]- en [naam uitzendbureau], dat premies zijn ingehouden op zijn loon en premies zijn afgedragen én dat hij bij gedaagde was geregistreerd (registratiebericht d.d. 15 augustus 1998). Ten gronde wordt beargumenteerd waarom gedaagde gehouden moest worden geacht een beëindigings-beschikking te nemen. Aangevoerd wordt nog dat gedaagde dergelijke beslissingen (in andere gevallen) ook heeft genomen. Ten slotte wordt gemotiveerd aangevoerd dat de bestreden beslissing in strijd is met het internationale recht. Bij brief van 10 november 2000 heeft appellants gemachtigde de rechtbank laten weten dat aan appellant, op grond van de Tijdelijke regeling witte illegalen, d.d. 1 november 2000, met ingang van 6 oktober 1999, een vergunning tot verblijf is toegekend. Bij de in rubriek I genoemde uitspraak van 2 januari 2001 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat in het primaire besluit van 4 maart 1999, en expliciet in de beslissing op bezwaar van 17 september 1999, de beëindiging van de verzekering beschreven is. In hoger beroep heeft appellants gemachtigde de in bezwaar en beroep naar voren gebrachte grieven in essentie herhaald. Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft gedaagde bij brief van 19 mei 2003 aan de Raad het volgende medegedeeld: 'In reactie op uw bovenvermeld schrijven willen wij nog het volgende opmerken. Appellant had op 1 juli 1998 een lopend dienstverband waaraan verzekeringsplicht was verbonden en waarvoor ook premie is betaald. Op zich zelf had de verzekeringsplicht, gelet op de uitspraken van uw Raad van 26 juni 2001 op l juli 1998 beëindigd kunnen worden, omdat appellant niet onder de reikwijdte van die uitspraken viel. Hij verkeerde immers op l juli 1998 niet in de situatie dat hij in afwachting was van een beslissing op een verblijfsvergunning en hem toegestaan was de afloop daarvan in Nederland af te wachten. In feite is de verzekeringsplicht niet beëindigd en werd de premieafdracht gecontinueerd. Daarmee komt de uitspraak van uw Raad van 24 juli 2002 in beeld waarin het ging om het beëindigen met terugwerkende kracht van de verzekeringsplicht in verband met de inwerkingtreding van de koppelingswet tot l juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.