E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/1249 AWBZ U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en Stichting Ziekenfonds VGZ, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 14 september 2000 heeft gedaagde appellant in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en het Bijdragebesluit Zorg (hierna: het Besluit), in verband met zijn verblijf in verpleeghuis [naam verpleeghuis] te [vestigingsplaats], voor de periode van 16 maart 2000 tot en met 30 juni 2000 een (lage) eigen bijdrage opgelegd van ¦ 355,-- per maand. Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit van 19 juni 2001 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank Assen heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 16 januari 2002 ongegrond verklaard. Namens appellant is G.S. Harm, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 juli 2003, waar appellant - zoals aangekondigd - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A. Booy Liewes, werkzaam bij gedaagde. II. MOTIVERING Voor de feiten en omstandigheden en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat gedaagde bij het bestreden besluit de eigen bijdrage terecht heeft vastgesteld op ¦ 355,--. Bij de aangevallen uitspraak is daartoe het volgende overwogen: "De rechtbank stelt vast dat niet in geding is dat eiser voor de aan hem in de hier relevante periode, 16 maart 2000 tot en met 30 juni 2000, verleende zorg een bijdrage verschuldigd is. Slechts de hoogte van die bijdrage is in geding. Verweerder heeft een zogenoemde lage eigen bijdrage van ¦ 355,-- opgelegd. Volgens eiser heeft verweerder daarbij een te hoog inkomen in aanmerking genomen. Op het inkomen zou volgens het standpunt van eiser zak- en kleedgeld in mindering moeten worden gebracht.Naar de mening van verweerder kan uit hoofde van artikel 5, tweede lid van het Besluit in beginsel rekening worden gehouden met zak- en kleedgeld. Indien na afdracht van de bijdrage maandelijks voor persoonlijke uitgaven gemiddeld minder overblijft dan ¦ 853,78, dan wordt voor de vaststelling van de bijdrage uitgegaan van het redelijkerwijs te verwachten bijdrageplichtige inkomen. Vaststaat dat de door verweerder opgelegde bijdrage van ¦ 355,-- een lage eigen bijdrage als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder b, van het Besluit is. Artikel 15, eerste lid, van het Besluit verklaart niet artikel 5, tweede lid, van het Besluit ten aanzien van de lage eigen bijdrage van toepassing. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat, wanneer eenmaal een lage eigen bijdrage is opgelegd, zak- en kleedgeld niet in mindering kan worden gebracht op het bijdrageplichtig inkomen. De rechtbank wijst nog op de circulaire van de algemeen secretaris van de Ziekenfondsraad van 7 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.