02/2072 en 02/2183 WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika), hierna: betrokkene, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: het Uwv. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv. Betrokkene en het Uwv zijn op bij (aanvullend) beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Amsterdam, onder dagtekening 21 maart 2002, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het Uwv heeft aangegeven dat het aanvullend beroepschrift tevens verweerschrift is in het hoger beroep ingesteld door betrokkene. Desgevraagd heeft het Uwv nadere informatie verschaft. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft bij brieven van 17 januari 2003 en 7 februari 2003 vragen van de Raad beantwoord. Naar aanleiding van een verzoek van de Raad heeft de Staatssecretaris bij de brief van 17 januari 2003 een aantal bijlagen gevoegd. Met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft hij verzocht deze stukken niet ter kennisgeving aan partijen te brengen. De geheimhoudingskamer van de Raad heeft bij beslissing van 7 maart 2003 bepaald dat beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Bij brieven van 14 maart 2003 heeft de Raad deze beslissing aan partijen doen toekomen. Partijen hebben desgevraagd aan de geheimhoudingskamer van de Raad bericht dat zij de behandelende kamer van de Raad toestemming verlenen om mede op grondslag van deze stukken uitspraak te doen. Vervolgens zijn de dossiers met de onderhavige stukken aan de behandelende kamer overgedragen. De gedingen zijn -gevoegd met de gedingen onder nummer 02/972, 02/1815, 02/1578, 02/1831, 01/5569 en 01/5573- behandeld ter zitting van de Raad op 20 juni 2003, waar betrokkene, zoals vooraf was bericht, niet is verschenen, terwijl namens het Uwv is verschenen mr. I.F. Pardaan, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Aan betrokkene, geboren [in] 1948, is per 1 oktober 1976 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend. In 1990 is hij, met toestemming van het Uwv, vertrokken naar de Verenigde Staten van Amerika (VS), waar hij sindsdien woonachtig is. In of omstreeks 1988 is aan betrokkene (tevens) een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend. Bij besluit van 28 november 2000 heeft het Uwv aan betrokkene medegedeeld dat de aan hem toegekende toeslag vanaf 1 januari 2000 wordt afgebouwd in een periode van drie jaar. Over het jaar 2000 wordt nog de volledige toeslag uitbetaald waarop betrokkene recht zou hebben indien hij in Nederland woonde, over het jaar 2001 twee derden van deze toeslag, over het jaar 2002 een derde van deze toeslag, en met ingang van l januari 2003 wordt de toeslag geheel beëindigd. Dit besluit is gebaseerd op artikel 4a van de TW in samenhang met artikel XI van de Wet beperking export uitkeringen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 26 januari 2001, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van betrokkene tegen dit besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij zijn tevens bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft het bestreden besluit getoetst aan het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1987, 202; hierna het Verdrag). Zij heeft geoordeeld dat de toeslag op grond van de TW in een situatie als de onderhavige onmiskenbaar dient te worden gekwalificeerd als een 'uitkering' ingevolge een wettelijke regeling als bedoeld in artikel 1, achtste lid van het Verdrag, waarbij de 'invaliditeitsverzekering', genoemd in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Verdrag wordt aangevuld. Dat betekent dat de toeslag valt onder de materiële werkingssfeer van het Verdrag. Volgens artikel 5 van het Verdrag zijn 'bepalingen in de wetten van een Verdragsluitende Staat die de betaling van de invaliditeitspensioenen (…) beperken uitsluitend op grond van het feit dat een persoon niet op het grondgebied van die Verdragsluitende Staat woont of niet op dit grondgebied aanwezig is, niet van toepassing op personen die wonen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat.' De rechtbank concludeert dat artikel 5 zich er tegen verzet dat het Uwv betrokkenes toeslag op grond van de TW afbouwt of intrekt op grond van het feit dat betrokkene in de VS woont. In het hoger beroepschrift is namens het Uwv aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de TW niet valt onder de materiële werkingssfeer van het Verdrag. Dit brengt naar het oordeel van het Uwv mee dat de toeslag niet valt onder de 'exportverplichting' neergelegd in artikel 5 van het Verdrag. Ter zitting in hoger beroep heeft het Uwv erop gewezen dat op 30 augustus 2001 het Tweede Protocol bij het Verdrag met de VS (Trb. 2002, 82) is afgesloten, welk Protocol op grond van artikel IV met ingang van 1 oktober 2001 voorlopig wordt toegepast. Het Tweede Protocol is op 1 mei 2003 in werking getreden. Met artikel l van het Tweede Protocol wordt de definitie van het begrip 'uitkering' in artikel 1, achtste lid, van het Verdrag gewijzigd in die zin dat alleen aanvullingen, verhogingen of bijslagen uit hoofde van de in artikel 2 bedoelde wetgeving hieronder vallen. Volgens het Uwv valt de TW niet onder de in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Verdrag, genoemde wetgeving, zodat de toeslag ingaande 1 oktober 2001 met zekerheid niet langer onder de materiële werkingssfeer van het Verdrag valt. Toegespitst op de zaak van betrokkene is door het Uwv nog opgemerkt dat zijn toeslag met ingang van 1 maart 2002 (geheel) is ingetrokken vanwege de samenloop tussen betrokkenes Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering met zijn Amerikaanse invaliditeitspensioen. Het Uwv merkt op dat het niet uitgesloten is dat de brief van betrokkene, gedateerd 31 maart 2002, welke door de Raad is opgevat als een hoger beroepschrift, een bezwaarschrift betreft ter zake van deze intrekking. De Raad oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat ervan uit, dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het nationale recht. In hoger beroep is primair aan de orde de vraag of het bestreden besluit wegens strijd met het op de data in geding geldende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika niet in stand kan blijven. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende. Artikel 2, eerste lid, van het Verdrag bepaalt: "Dit Verdrag is van toepassing (…) b. Wat Nederland betreft, op de wetten betreffende: i) de invaliditeitsverzekering (…).' Artikel 1, aanhef en achtste lid, van het Verdrag bepaalt: "Voor de toepassing van dit Verdrag (…)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.