01/1360 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: [Naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. J. Meeboer, belastingadviseur bij KPMG Meijburg & Co te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 12 april 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 9 februari 2001 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft onder dagtekening 19 juni 2001 van verweer gediend. Van de zijde van appellante is bij brief van 24 juni 2003 een nader stuk ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 augustus 2003, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. J. Meeboer voornoemd. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. M.A. Koenders, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de feiten en omstandigheden zoals die in de aangevallen uitspraak zijn weergegeven. De rechtbank heeft zich bij zijn uitspraak in overeenstemming met de zienswijze van gedaagde in het bestreden besluit van 12 november 1999, op het standpunt gesteld dat een vergeten vierde tape ten behoeve van premievaststelling over 1995, hoewel tijdig ingezonden, alsnog terecht mocht worden meegenomen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en evenmin met de rechtszekerheid. Appellante heeft in hoger beroep doen benadrukken dat zij gedaagde reeds in de loop van 1996 zowel telefonisch als schriftelijk op de omissie van het kennelijk niet meenemen van bedoelde tape heeft gewezen, waarop gedaagde haars inziens in strijd met de zorgvuldigheid jarenlang is blijven stilzitten en daardoor ook het vertrouwen zou hebben gewekt dat premieheffing te dien aanzien achterwege zou blijven, gevoed voorts door de opstelling in een gesprek met een functionaris van gedaagde medio november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.