01/4299 AW en 02/3535 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [Appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellante is op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 juni 2001, nr. AWB 00/8483 AW H V01 G17 K1 (hierna: uitspraak 1) en tegen de uitspraak van die rechtbank van 30 mei 2002, nr. Awb 01-1194 AW H V59 G17 K1 (hierna: uitspraak 2). Naar beide uitspraken wordt hierbij verwezen. Namens gedaagde zijn verweerschriften ingediend. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 11 september 2003, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.H. Schoorl, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij voormelde politieregio. II. MOTIVERING 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar uitspraak 1 en uitspraak 2. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellante, sedert 1 juni 1993 als agent en vanaf 1 juni 1996 als [naam functie] (schaal 7) in dienst van de politieregio Amsterdam-Amstelland, is in februari 1998 als specialist (schaal 7) bij de Dienst Vreemdelingenpolitie geplaatst. Daarbij is bepaald dat de periode tot 1 juli 1998 als inwerkperiode zou gelden en dat voorts bij wijze van begeleiding elke twee maanden een functioneringsgesprek zou worden gehouden. Over de periode 1 april 1998 tot 1 december 1999 is een beoordeling opgemaakt, die na bezwaar bij het bestreden besluit van 26 september 2000 (hierna: besluit 1) op enkele punten is gewijzigd en voor het overige is gehandhaafd. Deze beoordeling zoals zij na deze wijzigingen luidt, wordt hierna als beoordeling 1 aangeduid. Het beroep tegen besluit 1 is bij uitspraak 1 ongegrond verklaard. 1.2. Nadat appellante geruime tijd voor 50% onderscheidenlijk 100% arbeidsongeschikt was geweest, is op 28 januari 2000 afgesproken dat zij in het kader van haar reïntegratie wederom enkele maanden zou worden begeleid. Hiertoe hebben tweewekelijkse begeleidingsgesprekken plaatsgevonden. Over de periode 1 januari 2000 tot 1 september 2000 is wederom een beoordeling opgemaakt. Deze is na bezwaar bij het bestreden besluit van 19 juli 2001 (hierna: besluit 2) op enkele punten gewijzigd en voor het overige gehandhaafd. Deze beoordeling zoals zij na deze wijzigingen luidt, wordt hierna als beoordeling 2 aangeduid. Het beroep tegen besluit 2 is bij uitspraak 2 ongegrond verklaard. 2. De hoger beroepen zijn, evenals de beroepen bij de rechtbank, beperkt tot de gezichtspunten die bij besluit 1 en besluit 2 met een negatieve score zijn gewaardeerd. 2.1. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat aangevochten negatieve waarderingen niet op onvoldoende gronden berusten. Daarvoor is niet noodzakelijk dat alle feiten die dat orgaan ter adstructie van die negatieve waarderingen heeft aangevoerd, boven elke twijfel zijn verheven. Zelfs hoeft de omstandigheid dat het bestuursorgaan sommige van die feiten blijkt onjuist te hebben vastgesteld of geïnterpreteerd, niet te betekenen dat de waardering de rechterlijke toetsing niet doorstaat. Bepalend is het totale beeld van het functioneren van de ambtenaar terzake van het gezichtspunt waarop de aangevochten waardering ziet. 2.2. In de onderhavige gedingen is de vraag aan de orde of de rechtbank de beroepen tegen besluit 1 en besluit 2 terecht ongegrond heeft verklaard. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep aanvoert, overweegt de Raad nog als volgt. Beoordeling 1 3. De Raad is gelet op de verslagen van de functioneringsgesprekken, het verslag van de hoorzitting in bezwaar en het commentaar van appellante van oordeel dat gedaagde aannemelijk heeft gemaakt dat de negatieve waarderingen in beoordeling 1 niet op onvoldoende gronden berusten. De Raad sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank daaromtrent. 3.1. De Raad kan appellantes stelling dat zij onvoldoende is begeleid, niet onderschrijven. Appellante is langer begeleid dan bij een verplaatsing van een functie als [naam functie] naar een functie als specialist bij de Dienst Vreemdelingenpolitie gebruikelijk is. Niet aannemelijk is geworden dat het gehalte van de begeleiding onvoldoende was. 3.2. De Raad kan appellantes stelling dat de negatieve waarderingen voor haar als een verrassing kwamen, evenmin volgen. Weliswaar blijken uit het verslag van het functioneringsgesprek van 23 april 1998 nog geen tekortkomingen. Maar uit de verslagen van de functioneringsgesprekken van 13 juli 1998 en 6 november 1998 blijkt duidelijk dat appellante er op is aangesproken dat zij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.