02/740 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2001, nr. AW 01/767-ZET, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 25 september 2003, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van Hassel-van Roon en mr. drs. J.Th. Wijnberg, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam. II. MOTIVERING 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellant, destijds ingedeeld in schaal 10, is per 1 juni 1995 ontslag verleend. De Raad heeft dit besluit bij uitspraak van 7 mei 1998 vernietigd en bij afzonderlijke uitspraak van 6 mei 1999 (hierna: uitspraak 1) terzake van de door appellant gevorderde schadevergoeding uitspraak gedaan. 1.2. Bij uitspraak 1 heeft de Raad, voorzover hier van belang, overwogen dat appellant schade heeft geleden omdat hij naar het oordeel van de Raad vanaf 1 januari 1994 aanspraak had op bevordering naar salarisschaal 11, bij wijze van uitloopbevordering (ULB), en ten onrechte niet naar die schaal was bevorderd. Appellant heeft destijds op basis van een bij brief van 24 augustus 1998 opgestelde berekening aangevoerd dat die schade over een periode van in totaal 57 maanden vanaf 1 januari 1994 f. 36.370,- bedroeg. Gedaagde, die wel had betwist dat appellant recht had op schadevergoeding wegens verlies van de ULB, heeft die berekening, behoudens voor wat betreft de daarin vervatte koop- en behoudtoelage van 10%, niet betwist waarna de Raad de schade bij uitspraak 1 op f. 33.287,- heeft bepaald. 1.3. Na uitspraak 1 heeft appellant gedaagde verzocht de ULB met ingang van 1 oktober 1998 alsnog in zijn salaris op te nemen en daarbij - net als bij appellants berekening van de (inmiddels uitbetaalde) schadevergoeding over de periode van 1 januari 1994 tot 1 oktober 1998 was geschied - uit te gaan van het maximum van schaal 11. Nadat dit verzoek was afgewezen, is in bezwaar bij het bestreden besluit van 6 maart 2001 vanaf 1 oktober 1998 alsnog een ULB toegekend, uitgaande evenwel niet van het maximum van schaal 11 maar van trede 8 van die schaal. 2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant bestrijdt niet dat hij op grond van de toepasselijke rechtspositionele voorschriften op trede 8 van schaal 11 diende te worden ingedeeld. Maar, naar hij betoogt, kon hij er, gelet op het bij hem gewekte vertrouwen, aanspraak op maken dat hij vanaf 1 oktober 1998 bij wijze van ULB op het maximum van schaal 11 werd ingedeeld. Daartoe stelt hij dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.