01/562 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant is mr. R.J. van Velzen, advocaat te Beverwijk, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Alkmaar op 14 december 2000 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep van appellant tegen het door gedaagde op bezwaar gegeven besluit van 29 oktober 1998 (het bestreden besluit) ongegrond is verklaard. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 juli 2003, waar voor appellant is verschenen mr. S. Akkas, kantoorgenoot van mr. Van Velzen voornoemd, terwijl gedaagde zich, met bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Hoogovens Staal B.V. (hierna Hoogovens) heeft in de jaren 70 actief werknemers in Spanje geworven. In dat kader is appellant overgekomen naar Nederland en is hij op 7 maart 1974 als kantinemedewerker in dienst getreden bij Hoogovens. In juni 1992 heeft Hoogovens haar restauratieve dienst afgestoten en ondergebracht in de nieuwe onderneming Catering Partners Holland (hierna CPH), een onderneming waarvan Hoogovens 40% van de aandelen bezat en de overige 60% van de aandelen in handen was van Eurest Nederland B.V. (hierna Eurest). Appellant heeft er in 1992 voor gekozen om in dienst te blijven van Hoogovens en op detacheringsbasis bij Eurest werkzaam te zijn. Ten aanzien van de werkzaamheden traden er naar inhoud of plaats geen wijzigingen op. In de afspraken die in het kader van de afstoting van de restauratieve voorzieningen werden gemaakt tussen Hoogovens, Eurest en de vakorganisaties was onder meer opgenomen dat de detachering, afhankelijk van de leeftijd en het arbeidsverleden van de betreffende werknemer, maximaal vijf jaar kon duren, en dat de betrokken werknemers aan het einde van de detacheringsperiode in ieder geval in dienst zouden treden van CPH. Appellant heeft feitelijk tot half februari 1996 bij CPH gewerkt. Tezamen met een aantal andere werknemers van Hoogovens weigerde hij in dienst te treden van CPH. Mede in verband met een interne reorganisatie van CPH is hij vanaf die datum op non-actief komen te staan. Hoogovens heeft vervolgens het voor Hoogovens werkende schoonmaakbedrijf CSU Total Care (hierna CSU) eind 1997 bereid gevonden appellant in dienst te nemen als schoonmaker. Hoogovens heeft appellant daarbij een (aflopende) inkomensgarantie aangeboden voor een periode van vijf jaar. Tevens heeft Hoogovens aangegeven een voorziening te willen treffen voor de opbouw van het prepensioen. Appellant heeft van dat aanbod geen gebruik willen maken. Hoogovens heeft vervolgens aangeboden appellant op detacheringsbasis bij CSU te plaatsen, maar zonder de toepassing van het op dat moment geldende Sociaal Statuut. Tevens heeft Hoogovens aangeboden om voor appellant een andere baan te zoeken in het geval het schoonmaakwerk bij Hoogovens niet meer door CSU zou worden verricht en de detachering van appellant bij CSU om die reden zou worden beëindigd. Appellant heeft van dat aanbod geen gebruik willen maken. Hoogovens heeft de aanvankelijk gegeven termijn om te reageren op de voorstellen ten aanzien van CSU verlengd en appellant de mogelijkheid gegeven om uiterlijk 1 januari 1998 de desbetreffende verklaring te tekenen. Daarbij heeft Hoogovens er op gewezen dat appellants allerlaatste kans om aan ander werk te komen voorbij zou gaan indien hij de verklaring niet zou tekenen. Appellant heeft de verklaring niet getekend. Op 4 februari 1998 heeft Hoogovens de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met appellant te ontbinden. Na verweer van de zijde van gedaagde, waarbij onder meer een vergoeding van meer dan f 180.000,-- werd gevorderd, heeft de kantonrechter op 7 april 1998 de arbeidsovereenkomst per 1 mei 1998 zonder een vergoeding ontbonden. De kantonrechter heeft daarbij onder meer overwogen dat de ontbinding het gevolg is van omstandigheden die in de risicosfeer van appellant liggen. Appellant heeft op 24 april 1998 een verzoek om een WW-uitkering ingediend, welke uitkering zou moeten ingaan per 1 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.