01/2322 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 30 december 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 22 oktober 1997, waarbij hij op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [naam bedrijf] te [vestigingsplaats] (hierna: Brabant) niet betaalde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten over de jaren 1991 tot en met 1994 tot een bedrag van fl. 293.360,06 en een opgelegde boete over de jaren 1991 tot en met 1993 ten bedrage van fl. 339.676,- in totaal fl. 633.036,06,-. De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 8 maart 2001 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Op bij aanvullend beroepschrift en nadien bij brief van 25 mei 2001 aangevoerde gronden is appellant van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 oktober 2003, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij het UWV. II. MOTIVERING De feiten die in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming. Het bestreden besluit berust, voor zover van belang, op de overweging dat het niet betalen van de premies door Brabant het gevolg is van aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur doordat in de jaren 1991 tot en met 1994 stelselmatig loonbetalingen hebben plaats gevonden zonder hiervan aan gedaagde opgave te doen. Voor zover appellant zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden in het hoger beroep heeft herhaald, kan de Raad zich vinden in de verwerping van die gronden door de rechtbank en de in de aangevallen uitspraak gegeven motivering. Appellant heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat naast het in de loonadministratie verantwoorde weeksalaris van omstreeks fl. 600,- netto, wekelijks een bedrag van fl. 155,--
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.