01/2336 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. A.E. Noordhuis, juridisch adviseur te Hornhuizen, op bij aanvullend beroepschrift van 7 september 2001 aangegeven gronden, nader aangevuld bij brief van 7 november 2001, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 13 maart 2001 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een op 12 oktober 2001 gedagtekend verweerschrift ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 september 2003, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. A.E. Noordhuis, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F. Gerritsma, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant exploiteerde van 1 september 1993 tot oktober 1994 "[naam bedrijf]", te Winschoten. Naar aanleiding van een melding heeft er in 1994 een opsporingsonderzoek plaatsgevonden. In dit kader zijn er verhoren afgenomen van [werknemer1] en [werknemer 2] en is er informatie ingewonnen bij de Belastingdienst Groningen, afdeling ondernemingen. Uit dit onderzoek heeft gedaagde afgeleid dat appellant in 1993 aan verscheidene werknemers lonen heeft uitbetaald, welke niet aan de toenmalige bedrijfsvereniging Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging waren verantwoord, dat appellant hiervan ook geen administratie heeft gevoerd en tevens dat deze werknemers niet waren aangemeld door middel van een melding bedrijfsvereniging (MBV). In verband hiermee zijn door appellant ten onrechte geen premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten afgedragen. Gedaagde heeft vervolgens naar aanleiding van dit onderzoek ambtshalve premies vastgesteld en boetes opgelegd betrekking hebbende op de jaren 1993 en 1994, waarbij de hoogte van de correcties zijn gebaseerd op de verklaringen van de heren [werknemer1] en [werknemer 2] voornoemd. Aan de hand van deze verklaringen heeft gedaagde blijkens het looncontrolerapport van 24 januari 1995 de niet-verantwoorde gewerkte uren in 1993 geschat en deze ook toegepast op 1994, zij het dat daarbij in verband met het feit dat de exploitatie per 1 oktober 1994 is gestaakt de premielonen met 0,75 zijn vermenigvuldigd. Naar aanleiding van de hiertegen gerichte bezwaren heeft gedaagde op 29 november 1995 een besluit afgegeven dat door de rechtbank Groningen bij uitspraak van 8 mei 1998 in verband met een geconstateerde procedurele fout tijdens de bezwaarfase is vernietigd. Gedaagde heeft hierin berust en heeft ter uitvoering van deze uitspraak op 30 oktober 1998 een nieuwe beslissing op bezwaar afgegeven, waarbij de correctienota van 6 juli 1995 en de boetenota van 17 juli 1995 wordt gehandhaafd. De rechtbank Groningen heeft op het tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 13 maart 2001 als volgt beslist: "- verklaart het beroep gegrond, voorzover gedaagde geweigerd heeft te beslissen op het bezwaar, gericht tegen de premienaheffing en tegen de boete-oplegging over 1994; - bepaalt dat gedaagde die beslissing alsnog dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; - verklaart het beroep gericht tegen de boete-oplegging, als medegedeeld bij het schrijven van 17 juli 1995, gegrond; - vernietigt dit besluit, voorzover daarbij een hogere boete is opgelegd dan f 10.810,--; - verklaart het beroep voor het overige ongegrond; - veroordeelt gedaagde in de proceskosten ten bedrage van f 2.130,-- als gespecificeerd in de bijlage; - wijst het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan als rechtspersoon die dit bedrag, alsmede het betaalde griffierecht van f 225,-- dient te vergoeden.". In hoger beroep is namens appellant betwist dat de door de opsporingsfunctionaris in zijn rapport genoemde personen bij appellant werkzaam waren in dienstbetrekking. Tevens is namens appellant gesteld dat de aan de correctienota ten grondslag liggende schatting van niet-verantwoorde lonen ten onrechte is gebaseerd op de verklaringen van de heren [werknemer1] en [werknemer 2], omdat deze veelal tegenstrijdig zouden zijn en tevens voor een groot deel onbetrouwbaar moeten worden geacht ten aanzien van de soort relatie, uurvergoeding, aantal vergoede uren en periode van aanwezigheid. Ten slotte is namens appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte het beroep van appellant op de gevolgen van het overschrijden van de redelijke termijn van afhandeling onvoldoende heeft laten doorwerken in het bedrag van de verhoging. De Raad overweegt als volgt. De Raad stelt voorop dat het geschil uitsluitend ziet op de handhaving van de correctie- en boetenota over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.