E N K E L V O U D I G E K A M E R 01/3083 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. N.L.J. van Velzen, werkzaam bij PricewaterhouseCoopers N.V., belastingadviseurs te Alkmaar, op bij beroepschrift van 31 mei 2001 aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 23 april 2001 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een op 13 augustus 2001 gedagtekend verweerschrift ingezonden. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 19 augustus 2003 enige stukken de Raad doen toekomen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 oktober 2003, waar voor appellante is verschenen naam directeur , directeur van appellante, bijgestaan door mr. Van Velzen, voornoemd. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden. Sedert 1987 houdt [naam N.V.] alle aandelen in appellante. Met ingang van 1 augustus 1992 heeft de zoon van de enig aandeelhouder, [aandeelhouder] (hierna: [aandeelhouder]), als directeur de algemene leiding van appellante op zich genomen. In verband met een toename van de activiteiten van het restaurant heeft appellante verzocht om een aansluiting bij de toenmalige Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant, Café-, Pension- en aanverwante bedrijven. Hetgeen na onderzoek met ingang van 1 januari 1994 is geëffectueerd. Bij brief van 19 mei 1999 heeft appellante zich tot gedaagde gericht met het verzoek ermee in te stemmen [aandeelhouder] niet verplicht verzekerd te achten voor de werknemersverzekeringen, omdat [aandeelhouder] op afwijkende voorwaarden werkzaam was en omdat er geen sprake was van een gezagsverhouding. Tevens is om restitutie van de door appellante sedert 1 augustus 1992 afgedragen premies werknemersverzekeringen verzocht. Bij besluit van 23 juli 1999 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat in verband met het ontbreken van een reële gezagsverhouding [aandeelhouder] niet verzekeringsplichtig wordt geacht voor de sociale werknemersverzekeringswetten, en dat derhalve met ingang van 19 mei 1999 geen premies verschuldigd zijn ter zake van de betalingen aan [aandeelhouder]. Na gemaakt bezwaar, waarbij appellante kenbaar heeft gemaakt zich niet te kunnen vinden in de beëindigingdatum van de verzekeringsplicht en waarbij het verzoek om restitutie nogmaals benadrukt is, heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 8 november 1999 zijn standpunt onverkort gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde tevens vermeld dat indien de verzekeringsplicht al met terugwerkende kracht beëindigd zou dienen te worden dit eerst mogelijk is met ingang van 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.