02/1841 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 25 september 2000 heeft appellant geweigerd aan gedaagde een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat gedaagde na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken met ingang van 27 september 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 7 februari 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 25 september 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 26 februari 2002 (reg.nr. AWB 01/431 WAO) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit (op bezwaar) te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de door gedaagde gemaakte proceskosten en verstaan dat appellant het griffierecht aan gedaagde vergoedt. Appellant heeft tegen die uitspraak op bij beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 november 2003, waar namens appellant is verschenen mr. M.A.L. Hermans-de Jong, werkzaam bij het Uwv, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond. II. MOTIVERING Gedaagde, sedert 25 mei 1999 via uitzendbureau Start B.V. werkzaam bij Rank Xerox, viel op 29 september 1999 uit voor zijn werk wegens nierstenen en klachten aan zijn linkerarm en -been als gevolg van botaangroei. Na ommekomst van de zogeheten wachttijd van 52 weken is gedaagde bij het besluit van 25 september 2000 niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO. Dit besluit berust op onderzoek door de verzekeringsarts E. Goossens en de arbeids- deskundige G. van der Velden. Laatstgenoemde heeft, rekening houdende met de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, een aantal functies geselecteerd waarmee gedaagde een zodanig loon kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15% resteert. Bij het bestreden besluit heeft appellant zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling overwogen geen aanleiding te zien de door de (bezwaar)verzekeringarts van appellant bij gedaagde vastgestelde medische beperkingen voor onjuist te houden. Wat betreft de arbeidskundige kant van de litigieuze schatting heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant ten onrechte de functies van assemblagemedewerker (met FB-code 8364) en chauffeur/besteller (met FB-code 9855) aan de schatting ten grondslag heeft gelegd. Uitgaande van de resterende functies bedraagt het verlies aan verdiencapaciteit 16,6%, zodat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Appellant heeft in hoger beroep alleen het oordeel van de rechtbank bestreden dat de voornoemde functie van chauffeur/ besteller niet zonder meer passend is te achten omdat daarbij sprake is van afwijkende arbeidstijden als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder f, van het toepasselijke Schattingsbesluit van 8 juli 2000, Staatsblad 2000, 307, met als datum van inwerkingtreding 26 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.