01/2642 NABW 01/2643 NABW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellant heeft mr. A.C. Kool, advocaat te Amsterdam, op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2001, reg.nrs. 00/3730 NABW en 00/3731 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend. De gedingen zijn behandeld ter zitting van 11 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Kool, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden. Op 8 juni 1999 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van gedaagde van 14 oktober 1999 afgewezen, op de grond dat appellant niet woont op het door hem opgegeven adres. Bij besluit van 9 juni 2000, met nummer MEC 199904459, heeft gedaagde het tegen het besluit van 14 oktober 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Op 13 december 1999 heeft appellant bij gedaagde opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van gedaagde van 21 december 1999 afgewezen, wederom op de grond dat appellant niet woont op het door hem opgegeven adres. Bij besluit van 9 juni 2000, met nummer MEC 200000319, heeft gedaagde het tegen het besluit van 21 december 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak zijn de tegen de besluiten van 9 juni 2000 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. In hoger beroep is die uitspraak namens appellant gemotiveerd bestreden. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar in het geding met procedurenummer 01/2642 NABW, betreffende de afwijzing van de aanvraag van 8 juni 1999, overweegt de Raad het volgende. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van gedaagde zich nader op het standpunt gesteld dat in bezwaar en beroep ten onrechte voorbij is gegaan aan de overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken. De gemachtigde van appellant acht het onjuist dat dit standpunt pas in de hoger beroepsfase naar voren is gebracht. Wat daarvan zij, de Raad kan aan de vraag naar de ontvankelijkheid van het bezwaar niet voorbijgaan. Dit aspect moet door de rechter immers ambtshalve worden beoordeeld. De aanvraag is bij besluit van 14 oktober 1999 afgewezen. Op dit besluit is geen verzenddatum aangetekend. Van de zijde van gedaagde is ter zitting meegedeeld dat het besluit op 14 oktober 1999 automatisch is aangemaakt en verzonden. Daadwerkelijke verzending op die dag kan evenwel niet worden aangetoond aan de hand van - bijvoorbeeld - een postregistratiesysteem. De enveloppe waarin het besluit is verzonden is niet voorhanden, zodat ook niet aan de hand van het poststempel kan worden nagegaan op welke datum het besluit is verzonden. De verzending heeft door middel van de reguliere, niet aangetekende postbezorging door PTT Post plaatsgevonden. Gelet op een en ander kan verzending van het besluit van 14 oktober 1999 op die datum niet aan de hand van verifieerbare gegevens worden aangetoond. Wel staat vast dat het 2 december 1999 gedateerde bezwaarschrift diezelfde dag door gedaagde is ontvangen. Omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaar is in het aanvullend bezwaarschrift aangevoerd, daarin ondersteund door een verklaring van V.A. Jagroep, dat appellant op 27 oktober 1999 het betreffende poststuk in ontvangst heeft genomen en dat het besluit van 14 oktober 1999 naar alle waarschijnlijkheid pas op 26 oktober 1999 is verstuurd. Nu niet kan worden bepaald op welke datum het besluit van 14 oktober 1999 is verzonden en evenmin aannemelijk is geworden dat de aanbieding van de zending aan het door appellant opgegeven adres [adres] te [woonplaats] eerder dan op 27 oktober 1999 heeft plaatsgevonden, heeft gedaagde in zijn besluit op bezwaar het binnen zes weken na laatstgenoemde datum ontvangen bezwaarschrift terecht als tijdig ingediend aangemerkt. De Raad komt vervolgens toe aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten. Gedaagde heeft zich in deze besluiten terecht op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar de artikelen 7, 63 en 65, telkens eerste lid, van de Abw, dat het voor de beoordeling van het recht op bijstand van essentieel belang is dat de belanghebbende de juiste inlichtingen verschaft omtrent zijn feitelijke woon- of verblijfplaats. De Raad voegt daar aan toe dat een belanghebbende die een woning geheel of gedeeltelijk aan een of meer andere personen onderverhuurt, daarvan onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen aan het bijstandverlenend orgaan, omdat ook dat gegeven van invloed kan zijn op het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand. Uit de gedingstukken is ten aanzien van appellant het volgende gebleken. Na de bijstandsaanvraag van 8 juni 1999 is vanwege gedaagde tweemaal een bezoek afgelegd aan de woning [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Daarbij bleek appellant niet thuis te zijn. Voorts heeft appellant niet gereageerd op een naar de woning gezonden oproep, gedateerd 30 september 1999, voor een onderhoud bij de Sociale Dienst op 6 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.