01/5682 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: V.L.E. van Vreeswijk, wonende te Amersfoort, appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort, op bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht onder dagtekening 18 september 2001 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij schrijven van 24 januari 2002 (met bijlagen) van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 juli 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Huisman, voornoemd, als zijn raadsvrouw en waar gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C.L. Kuipers, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant, geboren 8 januari 1979, is van 1 december 1997 tot 1 juni 1999 werkzaam geweest op basis van een leer-werk overeenkomst in het kader van het Jeugdwerkgarantieplan. Per 1 juni 1999 is appellant ingevolge een voor bepaalde tijd tot 30 november 1999 aangegane arbeidsovereenkomst als productiewerker in dienst getreden van Dupral B.V. Aanvankelijk bestonden de werkzaamheden van appellant uit die van draaier/frezer. In verband met onderbezetting heeft appellant in augustus/september op een andere afdeling van het bedrijf van zijn werkgever gewerkt. De werkzaamheden bestonden onder meer uit het met een collega tillen van metalen platen van 80 tot 100 kg. Op 28 september 1999 heeft appellant zich met rugklachten ziek gemeld. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 31 mei 2000 een besluit van 11 januari 2000 gehandhaafd, voorzover daarbij toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onder a, van de Ziektewet (ZW). Aan appellant is ter zake van zijn ziekmelding per 28 september 1999 uitkering van ziekengeld ontzegd, omdat hij bij aanvang van zijn verzekering op 1 december 1997 al ongeschikt was voor de laatstelijk voor zijn ziekmelding feitelijk verrichte werkzaamheden bij Dupral B.V. Daarbij is overwogen dat medisch gezien de uitval viel te verwachten en dat appellant, gelet op de sedert zijn jeugd bestaande rugaandoening, had kunnen verwachten dat de door hem verrichte zwaar rugbelastende werkzaamheden tot uitval zouden kunnen leiden. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat zij geen grond ziet de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige dat appellant voor zijn functie gelet op de toestand van zijn rug reeds bij aanvang van de verzekering ingevolge de ZW op 1 december 1997 ongeschikt was, voor onjuist te houden. Op grond hiervan heeft de rechtbank gedaagde bevoegd geacht toepassing te geven aan artikel 44, eerste lid, onder a, van de ZW. De Raad onderschrijft dit oordeel. De ongeschiktheid tot werken dient te worden beoordeeld naar de aard, zwaarte en omvang van de laatstelijk voor de uitval verrichte werkzaamheden. Mede gelet op de in hoger beroep van de zijde van gedaagde ingezonden medische gegevens van de behandelende artsen, waaronder de brieven van 15 augustus 1995 van de orthopedisch chirurg H.J.A. Kruls en van 25 juli 2000 van de orthopedisch chirurg M.P.J. van der List, heeft de Raad geen reden te twijfelen aan de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant weliswaar voor normaal rugbelastend werk geschikt is te achten, maar dat de bij Dupral B.V. verrichte zwaar rugbelastende werkzaamheden al bij aanvang van zijn verzekering voor hem ongeschikt waren. De Raad voegt daaraan toe dat hij, mede gelet op de ter zitting omtrent de zwaarte van de werkzaamheden door appellant gedane mededelingen, geen reden heeft om aan te nemen dat deze werkzaamheden anders moeten worden aangemerkt dan als zwaar rugbelastend. Met betrekking tot de vraag of de wijze waarop gedaagde van de hem toekomende bevoegdheid om ziekengeld te weigeren gebruik heeft gemaakt, de rechterlijke toets kan doorstaan, overweegt de Raad als volgt. Gedaagde hanteert bij het gebruik van de bevoegdheid om het ziekengeld geheel of gedeeltelijk te weigeren op grond van artikel 44 van de ZW het beleid, vermeld in de bijlage bij het Besluit ongeschiktheid bij of kort na aanvang verzekering Ziektewet van 12 november 1998 (Stcrt. 1998, 228), in werking getreden op 27 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.