02/2737 WAZ U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 5 februari 2001 heeft gedaagde geweigerd om de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, te herzien naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Bij besluit van 12 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 februari 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 10 april 2002 het beroep van appellant tegen het besluit van 12 november 2001 ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, op bij aanvullend beroepschrift van 29 juli 2002 (met bijlage) aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage), gedateerd 13 augustus 2002, ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 oktober 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Van Gestel, voornoemd. Gedaagde heeft zich, zoals schriftelijk was bericht, niet doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak. In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde bij het in rubriek I vermelde besluit van 12 november 2001 terecht en op goede gronden appellants bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2001, waarbij appellants mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd werd vastgesteld op 25 tot 35%, ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uiteengezet dat, en op welke gronden, het besluit van 12 november 2001 naar haar oordeel in rechte stand kan houden. In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat - de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de namens appellant ingebrachte brief van de orthopedisch chirurg A.Th.J.M. Bloem van 26 februari 2002; - gelet op de feitelijke situatie de mate van arbeidsongeschiktheid niet correct is berekend. Wat betreft de procedurele grief overweegt de Raad het volgende. Ingevolge het eerste lid van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. De Raad merkt op dat de Memorie van Toelichting bij artikel 8:58 van de Awb de rechter een zekere vrijheid laat in zijn beoordeling of binnen tien dagen voor de zitting ingediende stukken bij de beoordeling van het geding zullen worden betrokken. De brief van de orthopedisch chirurg Bloem van 26 februari 2002 is namens appellant eerst bij brief van 27 maart 2002, ingekomen bij de rechtbank op 29 maart 2002, ingezonden. In aanmerking genomen dat de informatie van de orthopedisch chirurg Bloem eerder in het geding had kunnen worden gebracht en dat gedaagde door het in een zo laat stadium van de procedure in het geding brengen van die informatie daarop niet naar behoren heeft kunnen reageren, vermag de Raad niet in te zien dat het oordeel van de rechtbank om die informatie niet in haar oordeel te betrekken, onjuist is. De Raad overweegt vervolgens dat hij, voor wat betreft de voor appellant geldende medische beperkingen, geen reden heeft gezien te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans en de verzekeringsarts A.J. Mackor, als neergelegd in hun rapportages van 22 juni 2001 en 16 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.