01/2963 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 17 april 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr. G.R. Dorhout-Tielken, advocaat te Soest, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 november 2003, waar namens appellant is verschenen mr. P.A.L. Nieuwenhuis, medewerker van het Uwv, terwijl gedaagde niet is verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Gedaagde is op 7 april 1993 als product-manager in dienst getreden van Ala Bianca Benelux B.V. (hierna: Ala Bianca). Op 9 maart 1998 is zij in verband met spanningsklachten uitgevallen voor haar werkzaamheden. Op 2 november 1998 heeft zij haar werkzaamheden op therapeutische basis gedeeltelijk hervat. In januari 1999 is zij vier dagen per week gaan werken en op 8 februari 1999 is zij hersteld verklaard en heeft zij haar werkzaamheden in de volle omvang hervat. Gedaagde voelde zich echter niet meer geaccepteerd op haar werk en kreeg onvoldoende steun en begeleiding om welke reden zij per 30 april 1999 ontslag heeft genomen. In mei 1999 is zij vervolgens via een uitzendbureau voor de duur van twee maanden werkzaamheden gaan verrichten bij een elektronicaconcern. Die aanstelling is verlengd, maar is uiteindelijk per 11 september 1999 beëindigd in verband met een reorganisatie binnen het concern. Gedaagde heeft vervolgens op 21 september 1999 een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 11 oktober 1999 heeft appellant m.i.v. 13 september 1999 de uitkering blijvend geheel geweigerd omdat gedaagde, naar de mening van appellant, verwijtbaar werkloos was geworden door het nemen van ontslag bij Ala Bianca. Bij besluit van 6 januari 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant de tegen het besluit van 11 oktober 1999 gerichte bezwaren ongegrond verklaard. Appellant heeft daarbij overwogen dat de laatste dienstbetrekking is geëindigd wegens het einde van de opdracht en niet aan gedaagde is te verwijten. Niettemin is er volgens appellant sprake van een verwijtbare werkloosheid omdat gedaagde werk had bij Ala Bianca voor onbepaalde tijd, terwijl er op het moment waarop zij ontslag nam nog geen sprake was van uitzicht op een nieuwe baan. Daarmee nam zij volgens appellant een voorzienbaar werkloosheidsrisico. De verwijzing van gedaagde naar de langdurige ziekte en het risico dat langer in dienst blijven tot ziekte zou hebben geleid, heeft appellant bij het bestreden besluit verworpen onder de overweging dat gedaagde zich in principe opnieuw ziek had moeten melden indien de situatie haar ziek had gemaakt. Ondertussen had gedaagde dan uit kunnen kijken naar een andere baan. Indien er echter sprake is van een acute medische noodzaak is de ontslagname volgens appellant echter niet te verwijten. Appellant heeft beoordeeld of daarvan sprake was en is, onder verwijzing naar een rapportage van een verzekeringsgeneeskundige, tot de conclusie gekomen dat er in casu geen sprake was van een acute medische noodzaak. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad (22 maart 2000, RSV 2000/121) heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet kon volstaan met de verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsgeneeskundige en de constatering dat een acute medische noodzaak heeft ontbroken, maar dienen de concrete omstandigheden van het geval in beschouwing te worden genomen. In casu ontbreekt een advies tot ontslag van een arts of een arbodienst, maar het ontbreken van een dergelijk advies door een deskundige sluit volgens de rechtbank niet uit dat er daarnaast nog andere omstandigheden zijn die in de beoordeling dienen te worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank had de verzekeringsarts ook de mogelijkheid bij de betreffende deskundigen navraag te doen naar mogelijke andere relevante omstandigheden dan de acute medische noodzaak, terwijl niet is gebleken dat de verzekeringsarts in contact is getreden met de behandelend arts of de arbodienst. In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft appellant er op gewezen dat het bestreden besluit dateert van voor de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Raad van 22 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.