01/1867 CSV 01/1868 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en de erven van [betrokkene], wonende te [woonplaats], gedaagden. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. Bij besluiten van 18 februari 1999 heeft appellant, zij het onder verlaging van de bedragen van de aansprakelijkstelling, ongegrond verklaard de door gedaagden overgenomen bezwaren tegen de besluiten van 29 december 1995, waarbij [betrokkene] als bestuurder van [naam bedrijf] en [bedrijfsnaam 2] op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) aansprakelijk is gesteld voor de door [bedrijfsnaam 2] over de jaren 1990 tot en met 1993 en door [naam bedrijf] over de jaren 1990 tot en met 1994 onbetaald gelaten premie werknemersverzekeringen. De heer Hermse is op 13 november 1997 overleden. Bij brieven van 27 december 1999 heeft appellant de bedragen waarvoor de aansprakelijkstelling geldt, (verder) verlaagd tot fl. 264.114,70 ([naam bedrijf]), respectievelijk f. 286.042,35 ([bedrijfsnaam 2]). De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraken van 19 februari 2001 de tegen deze besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en beslist omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten. Namens appellant is op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden tegen die uitspraken hoger beroep ingesteld bij de Raad. Gedaagden hebben bij wijze van verweer volstaan met de verwijzing naar hun pleitnota in eerste aanleg. Bij brief van 1 augustus 2003 heeft appellant bericht nader van mening te zijn dat de bedragen waarop de aan- sprakelijkstellingen betrekking hebben (nog verder) dienen te worden verlaagd tot fl. 214.114,70 ([naam bedrijf]), respectievelijk fl. 236.042,35 ([bedrijfsnaam 2]). Appellant heeft de Raad verzocht dienovereenkomstig met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 november 2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.P. Bourne, werkzaam bij het Uwv en waar voor gedaagden is verschenen M. Hermse-Bout, bijgestaan door mr. M.E.H. Dumont, werkzaam bij Arenthals en Partners te Rotterdam. II. MOTIVERING De rechtbank heeft, nadat zij alle door gedaagden aangevoerde gronden gemotiveerd had verworpen, de beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 18 februari 1999 vernietigd vanwege strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daartoe heeft zij overwogen dat op grond van de bijzonder lange afhandelingsduur een zorgvuldige heroverweging verwacht had mogen worden. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest, nu bij besluiten van 27 december 1999 de aansprakelijkstellingen opnieuw en zonder nadere onderbouwing zijn gewijzigd. Het hoger beroep keert zich naar het oordeel van de Raad terecht, tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak. De rechtbank had, als door appellant verzocht, gelet op het bepaalde in artikel 6:18 en 6:19 van de Awb, de inleidende beroepen moeten aanmerken als mede gericht tegen de besluiten van 27 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.