01/3922 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante] te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inko-men in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorga-nisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante is T.B.G. van Dillen, werkzaam bij Van Dillen Consultancy B.V. te Hoogland, op bij aanvullend beroepschrift van 28 augustus 2001 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen tegen een door de rechtbank Haarlem onder dagteke-ning van 19 juni 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt ver-wezen. Gedaagde heeft bij schrijven van 11 september 2001 van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 27 november 2003, waar voor appellante is verschenen T.B.G. van Dillen voornoemd. Zoals aangekondigd heeft gedaagde zich niet doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden. Naar aanleiding van een bij appellante uitgevoerde looncontrole heeft gedaagde bij schrijven van 2 december 1999 appellante medegedeeld dat daarbij is geconstateerd dat er loonbetalingen niet dan wel niet juist zijn geadministreerd en dat appellante binnenkort een aanvullende premienota over 1994 tot en met 1998 tegemoet kan zien. Appellante heeft hiertegen op 9 december 1999 bezwaar gemaakt. De aanvullende premienota's over de desbetreffende jaren zijn op 13 december 1999 aan appellante verzonden. Gedaagde heeft het bezwaar van appellante impliciet mede gericht geacht tegen die aan-vullende premienota's en heeft hierop bij beslissing op bezwaar van 6 december 2000 inhoudelijk afwijzend beslist. In beroep heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 2 december 1999 niet als besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt omdat deze niet op rechtsgevolg is gericht. De rechtbank heeft hiervoor in aanmerking genomen dat de brief een constatering bevat ten aanzien van de loonadministratie van appellante, terwijl de rechtsgevolgen daarvan voor appellante eerst zijn ontstaan door het verzenden van de aanvullende premienota's op 13 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.