02/2691 WVG U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2002, reg.nr. 01/2942 WVG, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens appellante heeft mr. drs. C.A.R.J. Jacobs, advocaat te Amsterdam, bij een aanvullend beroepschrift de gronden van het hoger beroep aangevoerd. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 12 november 2003, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Jacobs, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Hijden, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Appellante, die gedeeltelijk rolstoelafhankelijk is, was woonachtig in een aangepaste woning. Nadat zij in de omgeving van haar woning was bedreigd, is appellante vanwege de daarop gevolgde gevoelens van onveiligheid verhuisd naar een andere woning. Vervolgens heeft appellante in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Amsterdam bij gedaagde een woonvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten (hierna: verhuiskostenvergoeding) aangevraagd. Bij besluit van 13 december 1999 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen, welke afwijzing bij besluit op bezwaar van 5 juli 2000 is gehandhaafd. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 11 mei 2001 gegrond verklaard en het besluit van 5 juli 2000 is vernietigd, omdat - in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht - niet was gebleken dat in het kader van de voorbereiding van de besluitvorming voldoende informatie was ingewonnen bij de behandelend artsen van appellante en evenmin op voldoende zorgvuldige wijze met de wel beschikbare informatie was omgegaan. Hoewel de rechtbank - ten onrechte - heeft nagelaten gedaagde op te dragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 6 juli 2001 niettemin opnieuw op het bezwaar beslist en daarbij het besluit van 13 december 1999 wederom gehandhaafd. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat niet is gebleken van objectief aantoonbare beperkingen in het normale gebruik van de (inmiddels door appellante verlaten) woning. Hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent de door haar ondervonden gevoelens van onveiligheid, alsmede omtrent de parkeerproblemen in de omgeving van haar woning als gevolg waarvan zij de woning met haar scootmobiel vaak moeilijk kon bereiken, heeft gedaagde daartoe niet toereikend geacht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Naar aanleiding van de door appellante aangevoerde grieven overweegt de Raad het volgende. De Raad kan appellante niet volgen in haar betoog dat gedaagde bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet of niet volledig uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 11 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.