02/3664 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 21 mei 2002, nr. 01/1569 WW, tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr. J.P.M.M. Heijkant, advocaat te Dongen, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 oktober 2003, waar appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. van den Os, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr. Heijkant, voornoemd. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij besluit van 12 juni 2001 heeft appellant aan gedaagde meegedeeld dat diens recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) over de periode van 17 juni 1996 tot 21 juli 1997 gedeeltelijk en met ingang van 21 juli 1997 geheel is geëindigd en dat hetgeen krachtens de WW onverschuldigd is betaald van hem wordt teruggevorderd. Bij brief van 26 juni 2001 heeft mr. Heijkant namens gedaagde tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Voorts is daarbij verzocht een termijn toe te staan voor het aanvoeren van de gronden van dat bezwaar en om afschriften te doen toekomen van de stukken die aan het besluit van 12 juni 2001 ten grondslag liggen. Bij brief van 2 juli 2001 heeft appellant de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. In die brief is voorts opgemerkt dat de gronden van het bezwaar nog ontbreken en is toegezegd dat mr. Heijkant de gevraagde stukken binnenkort zal ontvangen en dat deze daarbij in de gelegenheid zal worden gesteld de gronden van het bezwaar in te dienen. Bij brief van 23 juli 2001 heeft appellant de gevraagde stukken aan meergenoemde gemachtigde van gedaagde toegezonden en voorts het volgende aangegeven: "Wij verzoeken u om binnen vier weken na dagtekening van deze brief aan te geven op grond waarvan u bezwaar heeft gemaakt tegen onze beslissing. Als u niet van deze gelegenheid gebruikmaakt, zullen wij het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dit houdt in dat wij uw bezwaarschrift niet verder behandelen. Wij wijzen u er op dat wij een verzoek om verlenging van de termijn van vier weken niet zullen honoreren. Heeft u nog vragen, belt u mij dan gerust. Het telefoonnummer staat boven aan deze brief." Mr. Heijkant heeft, blijkens zijn brief van 16 augustus 2001, op 7 augustus 2001 van de brief van 23 juli 2001 en de daarbij gevoegde stukken kennis genomen. Bij die brief heeft hij verzocht om een uitstel van 6 weken voor het aanvoeren van de gronden, en wel in verband met het feit dat hij de desbetreffende stukken nog niet met cliënt, wegens diens vakantieperiode, heeft kunnen bespreken. Bij besluit van 23 augustus 2001 (het bestreden besluit) heeft appellant het namens gedaagde gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2001 niet-ontvankelijk verklaard om reden dat de gronden van het bezwaar niet tijdig kenbaar zijn gemaakt. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak en appellant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Zij heeft daartoe onder meer overwogen, waarbij onder eiser wordt verstaan gedaagde en onder verweerder wordt verstaan appellant: "De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het feit dat zowel de gemachtigde als eiser in de periode na 23 juli 2001 vakantie hebben genoten en dat de gemachtigde dit ook tijdig aan verweerder heeft aangegeven. In deze omstandigheden had naar het oordeel van de rechtbank van verweerder mogen worden verwacht dat het door gemachtigde gevraagde uitstel zou worden verleend. De rechtbank ziet niet in op welke wijze de gemachtigde voor het einde van de gestelde termijn de gronden van het bezwaar kan indienen als hij niet in de gelegenheid is geweest om hieromtrent overleg te voeren met eiser. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in deze omstandigheden in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om eiser - kennelijk - niet ontvankelijk te verklaren." Voor de Raad ligt ter beantwoording de vraag voor of appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 12 juni 2001 op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder meer bepaalt dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat. Als aan dat voorschrift niet is voldaan, kan, zo bepaalt artikel 6:6 van de Awb, het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. In dat verband heeft appellant erop gewezen dat hij een beleid voert, welk beleid is neergelegd in het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 2001 (Reglement 2001), dat in de plaats is getreden van het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.