01/4837 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appelllante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam, op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2001, reg.nr. 00/2707 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 13 januari 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Van den Bogaard en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellante ontving sedert 29 januari 1985 een bijstandsuitkering, laatstelijk vanaf 1 juli 1996 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een melding dat appellante oppaswerkzaamheden zou verrichten, heeft de sociale recherche van gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering. In dat kader zijn onder meer observaties gedaan en zijn appellante en twee getuigen verhoord. Op basis van de onderzoeksresultaten, neergelegd in een rapport van 13 april 1999 met bijlagen, heeft gedaagde bij afzonderlijke besluiten van 9 juni 1999 het recht op bijstand van appellante over de periode van 21 december 1995 tot en met 25 maart 1999 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van f 71.666,39 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 14 april 2000 heeft gedaagde de tegen de besluiten van 9 juni 1999 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante de wettelijke inlichtingenplicht heeft geschonden met als gevolg dat haar recht op bijstand over de in geding zijnde periode achteraf niet meer is vast te stellen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 april 2000 vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante er niet in is geslaagd duidelijkheid te verschaffen omtrent de door haar gewerkte uren en de daaruit verkregen inkomsten. Appellante heeft heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daarbij is benadrukt dat de door appellante gemaakte reconstructie van gewerkte uren en verdiensten voldoende betrouwbaar is om te dienen als leidraad voor de vaststelling van het recht op (aanvullende) bijstand over de in geding zijnde periode. Volgens appellante heeft de rechtbank daarom ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand gelaten. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient bij de toetsing van een besluit op bezwaar waarbij is gehandhaafd de beëindiging dan wel de intrekking van bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld, rekening te worden gehouden met alle relevante gegevens die nadien beschikbaar zijn gekomen en die betrekking hebben op de datum respectievelijk de periode in geding. Vaststaat dat appellante in de hier van belang zijnde periode werkzaam is geweest als oppas bij de familie [naam familie] voor dochter [naam dochter] (geboren op 6 september 1995), en dat zij van die werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten in en over die periode nimmer melding heeft gemaakt op de door haar ingevulde en aan gedaagde teruggezonden inkomstenformulieren, dan wel anderszins daarvan aan gedaagde mededeling heeft gedaan. Daarmee staat vast dat appellante in en over de betrokken periode de op haar rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW) respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw niet is nagekomen. Gedaagde heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat als gevolg van die schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet meer kan worden vastgesteld en om die reden de uitkering is ingetrokken. Appellante heeft echter gesteld dat als zij de inlichtingenplicht wel naar behoren zou zijn nagekomen, aan haar over die periode aanvullende bijstand zou zijn verstrekt, zodat gedaagde ten onrechte tot volledige intrekking en terugvordering is overgegaan. In dat verband heeft zij reeds in de bezwaarfase een zo nauwkeurig mogelijke reconstructie van gewerkte uren en verkregen verdiensten gemaakt. Kort gezegd komt deze reconstructie erop neer dat appellante tot 1 oktober 1996 slechts incidenteel, te weten 4 uur per week voor een bedrag van f 5,-- per uur, als kinderoppas heeft gewerkt. Met ingang van 1 oktober 1996 is mevrouw Kool weer gedurende twee dagen per week gaan werken en heeft deze werkzaamheden geleidelijk aan uitgebreid tot drie dagen per week (maandag, dinsdag en donderdag) vanaf 1 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.