01/3077 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. M. Timmermans, advocaat te Tilburg, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Breda op 24 april 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 00/1791, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een reactie gegeven op een door de Raad gedaan verzoek. Het geding is behandeld ter zitting van 20 januari 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Timmermans, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.W. van Oorschot, werkzaam bij de gemeente Oisterwijk. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Gedaagde ontving sedert 16 december 1999 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van ingekomen informatie heeft het Bureau Fraudebestrijding van de gemeente Oisterwijk een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering. Op grond van de onderzoeksbevindingen, welke zijn neergelegd in een rapport van 2 mei 2000, heeft gedaagde bij besluit van 17 mei 2000 het recht op uitkering van appellante over de periode van 14 maart 2000 tot en met 31 maart 2000 ingetrokken op de grond dat appellante heeft verzwegen dat zij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [naam partner] (hierna: [naam partner]), en de kosten van de aan appellante over die periode verstrekte bijstand van haar teruggevorderd. Gedaagde heeft het namens appellante tegen het besluit van 17 mei 2000 gemaakte bezwaar bij besluit van 10 oktober 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het namens appellante tegen het besluit van 10 oktober 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de Abw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding wegens een in aanmerking te nemen registratie is het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de Abw in samenhang met het Besluit registraties gezamenlijke huishouding 1998, Stb. 1997, 790 (hierna: het Besluit registraties 1998) van belang. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b ten negende, van het Besluit registraties 1998 vermeldt als registratie in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de Abw de gezamenlijke huishouding op grond van de WAO. Blijkens het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van het Besluit registraties 1998 is een dergelijke registratie aanwezig gedurende de periode waarin bij de toepassing van genoemde wet op enig moment rechtsgevolgen worden verbonden aan het bestaan van een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding. Niet is betwist dat appellante met [naam partner] een voor het onderhavige geding relevante gezamenlijke huishouding voerde op grond van de WAO. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van en gezamenlijke huishouding is derhalve doorslaggevend of appellante en [naam partner] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat het aanhouden van afzonderlijke woonruimte door [naam partner] niet in de weg staat aan het hoofdverblijf hebben in de woning van appellante, aangezien niet gebleken is dat [naam partner] ten tijde in geding op het door hem als zijn hoofdverblijf opgegeven woonadres [adres] te [woonplaats] bestendig feitelijk verbleef. [naam partner] verbleef volgens de inhoud van het bezwaarschrift naar eigen zeggen vanaf december 1999 slechts af en toe in de woning op het door hem opgegeven woonadres [adres] te [woonplaats], terwijl hij 's-nachts ook wel eens bij, niet nader genoemde, familie of vrienden verbleef. In de woning zou dan ook slechts het hoogst noodzakelijke aanwezig zijn. Dat de woning niet volledig was ingericht bleek ook uit de vanuit de buitenkant van de woning gedane observatie door een opsporingsambtenaar op 27 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.