01/5331 ALGEM 01/5332 CSV U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellant is op bij beroepschrift van 10 oktober 2001 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen tegen een door de rechtbank Utrecht onder dagtekening van 6 september 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nrs. 00/1383 en 00/1958, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij brief van 16 januari 2004 desgevraagd de stukken aangevuld en op dezelfde datum een verweerschrift aan de Raad doen toekomen. De gedingen zijn behandeld ter zitting van 27 januari 2004, waar appellant noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. M.A. Koenders, werkzaam bij Uwv Gak. II. MOTIVERING De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden. Naar aanleiding van een door gedaagde bij appellant en de heer [betrokkene] in de loop van 1998 en 1999 uitgevoerd verzekeringsplichtonderzoek is vastgesteld dat laatstgenoemde in 1997 tot aan 1 oktober van dat jaar voor appellant in de standbouw heeft gewerkt en zich daarbij heeft beziggehouden met klussen op het gebied van timmeren, schilderen en tegels inwassen. Appellant gaf hierbij concreet aan wat voor werk [betrokkene] voor hem als assistent diende te verrichten, hield toezicht op dat werk en controleerde de verrichte werkzaamheden. Gedaagde is er dientengevolge bij besluit van 25 januari 2000, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 23 juni 2000, van uitgegaan dat zulks verzekeringsplicht van [betrokkene] opleverde en dat appellant premies ingevolge de sociale verzekeringen moest inhouden. De verzekeringsplicht is gebaseerd op artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, omdat [betrokkene] de werkzaamheden voor appellant persoonlijk moest verrichten, een geldelijke beloning bestaande in een afgesproken uurprijs als contraprestatie hiervoor ontving en onder leiding en toezicht van appellant heeft gewerkt. Bij de uitspraak van 6 september 2001 is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat telkens wanneer [betrokkene] een opdracht van appellant aanvaardde, er voldaan is aan de criteria voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat er dan ook terecht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten verzekeringsplicht is aangenomen ter zake van de door [betrokkene] verrichte werkzaamheden voor appellant. De rechtbank heeft het beroep in de desbetreffende verzekeringsplichtkwestie derhalve ongegrond verklaard, evenals het beroep in de - in hoger beroep niet meer aan de orde gestelde - verzuimregistratie kwestie in verband met een onvolledige loonopgave over 1997, welke laatste hier buiten verdere aanduiding en bespreking kan blijven In hoger beroep heeft appellant betoogd dat [betrokkene] als een niet onder gezag staande startende zelfstandig ondernemer moet worden gezien en dat ten onrechte meer gewicht is gehecht aan de bevindingen van de betrokken controleur van gedaagde dan aan zijn eigen verklaring te dezen over de situatie per 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.