01/3575 NABW 01/3576 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Als gevolg van een gemeentelijke herindeling treedt in dit geding gedaagde in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Horst. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst. Namens appellant heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Roermond op 17 mei 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nrs. 00/1148 + 1149 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 3 februari 2004, waar appellant en zijn gemachtigde niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.W.A. Coenders en M.A. Theunissen, werkzaam bij de gemeente Horst aan de Maas. II. MOTIVERING De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant ontving vanaf 1 februari 1996 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een inval en huiszoeking door de politie in de woning van appellant op 24 januari 2000, waarbij onder andere 77 pakketjes met elk exact 1 kilogram marihuana en tevens restanten van een hennepkwekerij werden aangetroffen, is een nader onderzoek ingesteld door de Sociale Recherche. Op basis van de bevindingen van het onderzoek door de Sociale Recherche, neergelegd in een rapport van 3 maart 2000, heeft gedaagde bij besluit van 10 maart 2000, na eerdere opschorting van het recht op bijstand, de uitkering van appellant met ingang van 1 januari 2000 beëindigd. Voorts heeft gedaagde bij besluit van 12 mei 2000 het recht op uitkering over de periode van 1 mei 1999 tot en met 31 december 1999 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 18.965,40 teruggevorderd. Tegen beide besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 april 2000 is aan appellant met ingang van 16 maart 2000 weer een uitkering op grond van de Abw toegekend. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de uitkering. Bij besluiten van 7 december 2000 zijn de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 10 maart 2000, 17 april 2000 en 12 mei 2000 ongegrond verklaard. De tegen deze besluiten ingestelde beroepen zijn bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. In hoger beroep is laatstgenoemde uitspraak gemotiveerd bestreden. De Raad stelt allereerst vast dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 1 mei 1999 tot en met 31 december 1999 en tegen de beëindiging van de uitkering met ingang van 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.