01/2142 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 maart 2001, waarbij het door appellante ingestelde beroep ongegrond is verklaard. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 5 februari 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Kappelhof, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij het in dit geding bestreden besluit van 20 september 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 4 februari 1999, waarbij appellante als bestuurder van [naam bedrijf] ([naam bedrijf]) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor een bedrag van fl. 33.149,77 aan door die rechtspersoon over 1993 en 1994 onbetaald gelaten premies voor de werknemersverzekeringen. De Raad gaat uit van de volgende, tussen partijen niet bestreden, feiten. Appellante was vanaf 1 oktober 1992 enig bestuurder van [naam bedrijf]. De Oude Delf voerde een transportbedrijf ten dienste van haar moeder-, dochter- en zuster-vennootschappen en is op 14 juni 1994 in staat van faillissement verklaard. De fiscale eenheid waarvan zij deel uitmaakte, hield zich voornamelijk bezig met de groothandel in vlees. De feitelijke leiding van de organisatie was in handen van de vader van appellante, in samenwerking met de toenmalige partner van appellante. Uit strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat een aanzienlijk deel van de groothandelsactiviteiten niet in de boekhouding is verantwoord en ter verhulling daarvan valse verkoopfacturen in de boekhouding zijn opgenomen. In hoger beroep is appellante door de strafrechter bestraft wegens -kort gezegd- het feitelijk leidinggeven aan het vervalsen van verkoopfacturen door aan [naam bedrijf] gelieerde rechtspersonen in de periode van 1 november 1992 tot en met 31 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.