E N K E L V O U D I G E K A M E R 01/5017 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant en [gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 15 oktober 1999 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 21 november 1998, waarbij de door haar voor het jaar 1999 verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is vastgesteld op 2,43%. De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 10 augustus 2001 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat appellant het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt. Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 29 januari 2002 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Namens gedaagde heeft mr. M.H. Feiken, juridisch adviseur te Tilburg, een verweerschrift, gedateerd 27 februari 2002, ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 februari 2004, waar voor appellant is verschenen mr. K.D. van Someren, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, zich niet heeft laten vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) tot het oordeel gekomen dat een beslissing op bezwaar, waaraan een procedure ten grondslag heeft gelegen waarbij toepassing is gegeven aan het bepaalde in de artikelen 88c en 88d van de WAO en waarvan het resultaat van invloed is op de te nemen beslissing op het door de werkgever ingediend bezwaar, in strijd moet worden geacht met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In gelijke zin heeft de rechtbank geoordeeld bij een uitspraak van 10 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.