01/1682 CSV 01/1683 CSV 01/1684 CSV U I T S P R A A K in he[naam vennoot]ing tussen: v.o.f. [vof 1], [vof. 2] en [vof 3], appellanten, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellanten worden hierna ook aangeduid als [vof 1], [vof 2] en [vof 2]. Bij op 25 juni 1999 verzonden besluiten heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellanten tegen correctiebesluiten van 16 en 18 december 1998 betreffende de jaren 1993 tot en met 1997 ([vof 2] en [vof 1]), onderscheidenlijk 1994 tot en met 1997 ([vof 2]) en besluiten van 22 en 28 december 1998 tot oplegging van boetes van 100% van de nageheven premies over die jaren. De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 5 februari 2001, nummers 99/5520, 99/5521 en 99/5522, voor zover van belang, het door [vof 1] ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover premie is vastgesteld over het loon van werknemer Vergouw, en de ingestelde beroepen tegen de besluiten van 25 juni 1999 voor het overige ongegrond verklaard. Namens appellanten is daartegen op bij aanvullend beroepschrift met bijlagen aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld bij de Raad. Gedaagde heeft verweerschriften ingediend. Op 8 juli 2002 heeft mr. E.A.M.R. Hondelink, advocaat te De Bilt, zich als opvolgend gemachtigde in de zaken gesteld. Bij brief van 5 januari 2004 zijn van de zijde van appellanten nadere stukken overgelegd. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 januari 2004, waar voor appellanten is verschenen mr. Hondelink, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.M.G. van Nieuwburg, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Het ter zitting gedane verzoek tot uitstel van de behandeling van de zaak met het oog op de verdere uitwerking en onderbouwing van hun stellingen door appellanten, wijst de Raad af. Appellanten hebben hiervoor ruimschoots de gelegenheid gehad en van die gelegenheid intensief gebruik gemaakt. Mr. Hondelink treedt in de procedure al geruime tijd voor de appellanten als gemachtigde op. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij de overtuiging heeft gekregen dat appellanten niet hebben voldaan aan hun verplichting een juiste administratie bij te houden van de uitbetaalde lonen en dat, mede daardoor, er in de in geding zijnde jaren sprake is geweest van een onjuiste opgave aan gedaagde van de uitbetaalde lonen, waardoor er onvoldoende premies werknemersverzekeringen zijn afgedragen. De rechtbank heeft dat oordeel gebaseerd op de stelselmatige vernietiging door appellanten van de urenstaten van de werknemers en de vele verklaringen van werknemers omtrent de hoogte van het uitbetaalde loon, in relatie tot de wel in de administratie -voor zover aanwezig- verantwoorde lonen. De rechtbank heeft er verder op gewezen dat er veel te lage dagomzetten werden geboekt, soms zelfs lager dan de betalingen per creditcard op die dag. De rechtbank heeft het betoog van appellanten dat aan de door werknemers afgelegde verklaringen geen waarde mag worden gehecht verworpen met de overweging dat uit deze in vrijheid afgelegde verklaringen blijkt dat appellanten loonbetalingen deden die niet verantwoord werden. De onvolledigheid en onjuistheid van de door appellanten gevoerde administraties gaf gedaagde naar het oordeel van de rechtbank de vrijheid om de verschuldigde premies schattenderwijs vast te stellen. Het hoger beroep richt zich vergeefs tegen het oordeel van de rechtbank dat gedaagde op goede gronden de (loon-)administratie van appellanten heeft verworpen. De Raad kan appellanten niet volgen in hun stelling dat zij de urenstaten niet hebben vernietigd. Onder de gedingstukken bevinden zich op ambtseed/belofte opgestelde processen-verbaal in het tegen appellanten gerichte opsporingsonderzoek, waaronder van de op 28 oktober 1998 door [naam echtgenoot vennoot], echtgenoot van een van de vennoten, afgelegde verklaring, inhoudende dat de staten waarop de gewerkte uren staan vermeld werden weggegooid nadat aan de boekhouder van appellanten totaalstaten per fax waren verzonden (blz 610) en de verklaring van [werknemer] op 19 oktober 1998: "Iedereen vulde zijn eigen tijd in die hij gewerkt had. Aan het eind van de maand rekende [n[vennoot]nnoot] voor iedereen de gewerkte uren uit. In het begin werd door [naam vennoot] of [vennoot] nog veel contant uitbetaald. Nadat de uren waren geteld werden de roosters weggegooid." Over de resultaten van het opsporingsonderzoek is verslag gedaan in een rapport, nr. 26017-002 van 7 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.