01/5640 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg op 17 september 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. Awb 01/203, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr. I. Kraijo, advocaat te Zierikzee, een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 februari 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden die hij als vaststaand aanneemt. Gedaagde ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 16 november 1999 heeft appellant aan gedaagde de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw opgelegd. Bij besluit van 10 maart 2000 heeft appellant de bijstand, met toepassing van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit) voor de duur van een maand verlaagd met 10% wegens het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te krijgen. Bij besluit van 27 oktober 2000 heeft appellant de bijstand met ingang van 1 augustus 2000 voor de duur van vier maanden verlaagd met 20% wegens gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren, de bijstand met ingang van 1 september 2000 voor de duur van twee maanden verlaagd met 100% wegens het niet aanvaarden van passende arbeid, de bijstand met ingang van 1 november 2000 voor de duur van vier maanden verlaagd met 100% wegens het niet aanvaarden van passende arbeid alsmede de bijstand met ingang van 1 september 2000 voor de duur van vier maanden verlaagd met 10% wegens het niet verlenen van de gevraagde medewerking die nodig is voor de uitvoering van de Abw. Bij besluit van 19 februari 2001 - het bestreden besluit - heeft appellant het gemaakte bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2000 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard voorzover het de per 1 augustus 2000 en per 1 november 2000 opgelegde maatregelen van respectievelijk 20% voor de duur van vier maanden en 100% voor de duur van vier maanden betreft, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en appellant opgedragen met in achtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft het beroep voorzover het de per 1 september 2000 opgelegde maatregel van 100% gedurende twee maanden betreft ongegrond verklaard. Voorts is een beslissing gegeven inzake het griffierecht en de proceskosten. Het beroep tegen de maatregel de bijstand met ingang van 1 september 2000 voor de duur van vier maanden te verlagen met 10% is ter zitting van de rechtbank ingetrokken. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak gekeerd. Appellant heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat hij op grond van artikel 14, tweede lid, van de Abw bij herhaald verwijtbaar gedrag wel degelijk de mogelijkheid heeft om gemotiveerd van de gestelde maatregelen in het Maatregelenbesluit af te wijken. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voorzover hier van belang, dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk VIII van de Abw aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een maatregel bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijt-baarheid ontbreekt. In het vijfde lid is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste en het tweede lid nadere regels kunnen worden gesteld. De desbetreffende algemene maatregel van bestuur is het Maatregelenbesluit. De Raad merkt allereerst op, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 12 maart 2002, gepubliceerd in JABW, 2002/59 en RSV 2002/123, dat hij, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat de bepalingen van het Maatregelenbesluit onverlet laten dat op grond van het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de Abw kan worden afgeweken van de in dat besluit voorgeschreven standaardmaatregelen. Dit kan er in specifieke situaties toe leiden dat een zwaardere dan wel een lichtere maatregel dan de standaardmaatregel is aange-wezen; deze afwijking kan betrekking hebben op de hoogte en/of de duur van de maatregel. Hierbij wordt aangetekend dat de op te leggen maatregel niet in strijd mag zijn met het algemeen rechtsbeginsel dat evenredigheid dient te bestaan tussen de maatregel en de ernst van de gedraging. Reeds gelet hierop komt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal thans bezien of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. De Raad stelt allereerst vast dat de omvang van het geding in hoger beroep is beperkt tot de maatregel om de bijstand van gedaagde met ingang van 1 augustus 2000 voor de duur van vier maanden met 20% te verlagen en de maatregel om de bijstand van gedaagde met ingang van 1 november 2000 voor de duur van vier maanden met 100% te verlagen. Maatregel 20% voor de duur van 4 maanden met ingang van 1 augustus 2000 Uit de gedingstukken is gebleken dat gedaagde intensief is begeleid om arbeid in dienst-betrekking te verkrijgen, maar dat hij in de periode in geding geen enkele sollicitatie heeft verricht. Gedaagde is regelmatig opgeroepen door medewerkers van de afdeling Sociale Zaken voor een gesprek over zijn gebrek aan sollicitatieactiviteiten, tijdens welke gesprekken gedaagde daarvoor steeds nieuwe argumenten heeft aangevoerd. Gedaagde heeft achtereenvolgens aangevoerd dat hij vanwege zijn geloofsovertuiging niet met alcohol en tabak mocht werken, hij wegens psychische klachten niet over straat durfde, hij binnenkort naar Eindhoven zou verhuizen, hij een eigen bedrijf wilde starten en hij vanwege zijn geloofsovertuiging niet met vrouwen mocht werken. Dit laatste argument is door gedaagde aangevoerd tijdens een gesprek op 12 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.