01/6389 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 11 april 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 24 november 1999, waarbij zij voor het premiejaar 2000 als grote werkgever is aangemerkt en waarbij de door haar verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2000 is vastgesteld op 2,44%. De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 15 november 2001, kenmerk 00/3699, het beroep ongegrond verklaard. Namens appellante is mr. P.J. de Waal, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, vermelde gronden tegen die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 februari 2004, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mrs. M.J. Lustenhouwer en W.M.G. van Nieuwburg, beiden werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Het bestreden besluit betreft de vaststelling van de door appellante in 2000 verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO. Hierbij zijn mede bepalend geweest de aan een zevental werknemers toegekende en in 1998 betaalde uitkeringen krachtens deze wet. De Raad gaat uit van de volgende feiten. Onder de naam [naam B.V. 2] werd destijds een tweeledige onderneming gevoerd, een aannemerij en een mastenfabriek. De vennootschap maakte deel uit van een groep, met als groepshoofd A. [naam groep] De financiële gegevens werden opgenomen in een, bij het handelsregister Tiel gedeponeerde geconsolideerde jaarrekening. In de consolidatie is begrepen appellante en haar 100% groepsmaatschappij [groepsmaatschappij] ([groepsmaatschappij]). Zes van de hiervoor bedoelde werknemers waren werkzaam in de aannemerij, één in de mastenfabriek. In de periode vanaf 1993 is de onderneming gereorganiseerd. Door middel van een zogenaamde activa/passiva-transactie zouden, naar de stellingen van appellante, in 1993 de ondernemersactiviteiten zijn gesplitst, waarbij de aannemerij werd onder gebracht onder [groepsmaatschappij]. Appellante heeft gesteld dat aldus sprake was van een overgang van een onderneming als gevolg waarvan het personeel van de aannemerij in dienst kwam van [groepsmaatschappij]. Uit praktische overwegingen bleef ook dat personeelsbestand administratief op de loonlijst van appellante staan. Deze loonkosten werden echter volledig aan [groepsmaatschappij] doorberekend. Deze situatie bleef bestaan tot de verkoop van het aannemingsbedrijf aan een derde op 29 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.