03/480 WAO en 03/481 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellants besluit van 20 februari 2002 houdt in dat gedaagde, zolang nog niet vaststaat dat de door hem verrichte arbeid leidt tot herziening van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80% of meer waarnaar aan hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, maar in verband met de hoogte van zijn inkomsten uit arbeid die uitkering aan hem vanaf 10 september 2001 wordt uitbetaald als was hij ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 - 80%. Appellants besluit van 11 maart 2002 houdt in dat van gedaagde wordt teruggevorderd een bedrag van € 2.572,53 onder overweging dat dat bedrag aan WAO-uitkering over de periode van 10 september 2001 tot en met 28 februari 2002 onverschuldigd aan hem is betaald. Bij brief van 5 april 2002 heeft gedaagde een op 8 april 2002 bij appellant ingekomen bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 23 mei 2002 heeft appellant dat bezwaarschrift aangemerkt als te zijn gericht tegen zijn besluit van 20 februari 2002 en vervolgens wegens onverschoonbare termijnoverschrijding (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 6 juni 2002 heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, namens gedaagde aan appellant medegedeeld dat evenvermeld bezwaarschrift mede was gericht tegen het terugvorderingsbesluit van 11 maart 2002. Bij besluit van 25 juli 2002 heeft appellant geweigerd het bij brief van 5 april 2002 ingediende bezwaarschrift aan te merken als mede gericht tegen zijn terugvorderingsbesluit van 11 maart 2002, de brief van 6 juni 2002 aangemerkt als tegen dat terugvorderingsbesluit gericht bezwaarschrift en vervolgens dat laatste bezwaarschrift evenzeer wegens onverschoonbare termijnoverschrijding (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Tegen zowel het besluit van 23 mei 2002 als het besluit van 25 juli 2002 heeft mr. Gloudi, voornoemd, beroep ingesteld. Bij uitspraak van 19 december 2002, kenmerk AWB 02/623 en 02/920 WAO, heeft de rechtbank Zwolle het beroep tegen het besluit van 23 mei 2001 ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 25 juli 2002 gegrond verklaard, dat laatste met vernietiging van het besluit van 25 juli 2002, de opdracht een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2002 te nemen, een proceskostenveroordeling en een last tot griffierechtvergoeding. Tegen die uitspraak heeft appellant op bij beroepschrift van 28 januari 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 17 februari 2003, ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari 2004. Partijen zijn niet verschenen, gedaagde met kennisgeving en appellant als gevolg van een stremming van het openbaar vervoer; appellant heeft achteraf te kennen gegeven dat hij ermee instemt dat de Raad zonder heropening van het onderzoek en zonder nieuwe zitting uitspraak doet. II. MOTIVERING Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of de rechtbank bij haar door appellant aangevallen uitspraak terecht en op goede gronden heeft gevolgd het door (thans) gedaagde ingenomen standpunt dat het bezwaarschrift van 5 april 2002 mede was gericht tegen het terugvorderingsbesluit van 11 maart 2002. De rechtbank heeft overwogen dat - nog afgezien van de sterke samenhang tussen de beide primaire besluiten - dat bezwaarschrift was gericht aan degene die uitsluitend in de aanhef van het besluit van 11 maart 2002 als contactpersoon is genoemd, dat in de aanhef van het besluit van 20 februari 2002 een ander als contactpersoon is genoemd, dat (thans) appellant daaruit had dienen te begrijpen dat gedaagde zich evenmin kan verenigen met het terugvorderingsbesluit van 11 maart 2002 en tot slot dat het op de weg van appellant had gelegen om, indien daarover onduidelijkheid had bestaan, gedaagde te vragen tegen welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.