02/3379 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht onder dagtekening 4 juni 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr.: 01/403 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij schrijven van 13 augustus 2002 van verweer gediend. Appellant heeft hierop bij brief van 16 augustus 2002 gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts, voornoemd, als zijn raadsman, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Kessels, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant is sedert 8 juni 1998 bij [naam werkgever] (de werkgever) als internationaal chauffeur werkzaam geweest. Dit werk heeft hij op 18 januari 2000 wegens ziekte gestaakt. De bedrijfsarts heeft hem schriftelijk hersteld verklaard per 3 juli 2000 onder vermelding: "eerst vacantie, daarna werkhervatting". Bij brief van 3 juli 2000 heeft appellant zijn werkgever bericht van 3 juli tot 21 augustus 2000 op vakantie te zijn. Hierop heeft de werkgever appellant bij brief van 6 juli 2000 meegedeeld met deze gang van zaken niet te kunnen instemmen, omdat vakantie slechts in overleg met de werkgever opgenomen kan worden, zodat hij zich genoodzaakt ziet passende maatregelen jegens appellant te nemen. Op 15 augustus 2000 heeft appellant tijdens zijn vakantie in Turkije een ongeval gehad als gevolg waarvan hij opnieuw voor zijn werk ongeschikt is geworden. Op 26 augustus 2000 is appellant in Nederland teruggekeerd. Bij schrijven van 6 september 2000 heeft de werkgever appellant meegedeeld zijn afwezigheid vanaf 5 juli 2000 te zien als onwettige afwezigheid en dat hij ervan uitgaat dat appellant met ingang van 25 augustus 2000 zijn arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd. Bij fax van 10 oktober 2000 heeft de werkgever gedaagde bericht dat het dienstverband met appellant op 28 augustus 2000 is geëindigd en heeft hij een ontslagbewijs gezonden, waarin is vermeld dat aan appellant met ingang van 18 augustus 2000 ontslag is gegeven en dat dit ontslag op eigen verzoek en met wederzijds goedvinden is. Het ontslagbewijs is voorzien van de namen van de werkgever en appellant en alleen door de werkgever ondertekend. Vervolgens heeft de werkgever bij verzoekschrift van 13 november 2000 de kantonrechter te Sittard verzocht om de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog niet rechtsgeldig mocht zijn beëindigd, te ontbinden wegens gewichtige redenen. Bij beschikking van 28 december 2000 heeft de kantonrechter te Sittard de arbeidsovereenkomst tussen appellant en de werkgever per die dag ontbonden. Bij uitspraak van 5 januari 2001 heeft de kantonrechter te 's-Hertogenbosch de vordering van appellant tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 116 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afgewezen. Deze vordering hield in dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zou bepalen dat op de werkgever de verplichting rust om over de periode vanaf 25 augustus 2000, en wel zolang als de arbeidsovereenkomst doorloopt, het loon door te betalen en de werkgever te veroordelen om appellant, zodra hij weer arbeidsgeschikt is, toe te laten tot zijn werkplek. Ter toelichting hierop heeft appellant onder meer vermeld dat hij door het hem overkomen ongeval niet eerder dan op 27 augustus 2000 naar Nederland kon terugkeren, dat hij de werkgever na bezoek aan zijn huisarts op 28 augustus 2000 heeft gebeld om zich arbeidsongeschikt te melden, dat de werkgever de telefoonverbinding heeft verbroken en dat de Arboarts, waar appellant zich had gemeld, hem terugverwees naar zijn werkgever. Deze heeft appellant toen niet meer durven bellen. Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 20 maart 2001 heeft gedaagde beslist dat appellant over de periode 15 augustus 2000 tot 28 december 2000 geen recht heeft op uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat appellant jegens zijn werkgever aanspraak dient te maken op doorbetaling van zijn loon. Met betrekking tot het recht op ziekengeld na 28 december 2000 heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een benadelingshandeling waardoor ingevolge het bepaalde in artikel 45, eerste lid, sub j, van de ZW het ziekengeld geheel werd geweigerd over de volledige uitkeringsduur. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat door de beschikking van 28 december 2000 van de kantonrechter te Sittard de dienstbetrekking per die datum is beëindigd en dat niet valt in te zien waarom gedaagde, zoals namens appellant was gesteld, gehouden was een onderzoek te verrichten naar een veronderstelde eerdere beëindiging van de dienstbetrekking. Daarbij is voorts overwogen dat het enkele feit dat de werkgever van appellant op enig moment voor 28 december 2000 is gestopt met het betalen van loon onvoldoende is om te concluderen dat als gevolg daarvan de dienstbetrekking op dat moment zou zijn beëindigd. Voorts heeft de rechtbank overwogen, waarbij appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder: "Juist in een situatie als in dit geschil dient, blijkens de systematiek van artikel 29, lid 1, van de ZW, in verbinding met artikel 7:629, lid 1, van het BW, het uitgangspunt te zijn dat de zieke werknemer zich, eventueel middels een gerechtelijke procedure, tot de werkgever wendt met het verzoek om het loon door te betalen. Weliswaar is eisers verzoek om een voorlopige voorziening door de kantonrechter te 's-Hertogenbosch afgewezen, maar hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast dat in een eventuele bodemprocedure een vordering tot doorbetaling van het loon tot 28 december 2000 zal worden afgewezen. Gelet op hetgeen bepaald wordt in artikel 29, lid 1, aanhef en onder a, van de ZW en artikel 7:629, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, heeft verweerder dan ook terecht uitkering ingevolge de ZW geweigerd tot 28 december 2000." Met betrekking tot de weigering van ziekengeld vanaf 28 december 2000 heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat gedaagde daaraan ten onrechte als benadelingshandeling ten grondslag had gelegd dat appellant zonder toestemming van zijn werkgever op vakantie was gegaan, omdat het ongeschiktheidsrisico op dat moment nog niet was ingetreden en als zodanig ook niet voorzienbaar was. Partijen hebben in laatstgenoemd oordeel van de rechtbank berust. In hoger beroep is uitsluitend aan de orde de vraag of bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit terecht in stand is gelaten voor zover daarbij ziekengeld is geweigerd over het tijdvak van 15 augustus 2000 tot 28 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.