01/4622 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. A.C.G. Meijer, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 13 juli 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/4522 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft medegedeeld dat het beroepsschrift geen aanleiding geeft tot het voeren van nader verweer en op verzoek van de Raad nadere inlichtingen verstrekt. Het geding is behandeld ter zitting van 30 maart 2004, waar appellante en haar gemachtigde niet zijn verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellante ontving sedert 1985 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van het bij gedaagde gerezen vermoeden van samenwoning, heeft de sociale recherche van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante toegekende uitkering. Op grond van de resultaten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 29 mei 2000, heeft gedaagde onder meer geconcludeerd dat appellante op haar woonadres een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met haar ex-echtgenoot [naam ex-echtge[naam ex-echtgenoot], waarvan zij aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan. Gedaagde heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om bij besluit van 8 juni 2000 de uitkering van appellante over de periode van 1 augustus 1994 tot en met 30 september 1999 te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1995 tot en met 30 september 1999 tot een bedrag van f 113.949,29 van haar terug te vorderen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van gedaagde van 12 januari 2001 ongegrond verklaard, onder wijziging van het besluit van 8 juni 2000 in zoverre dat de intrekking van de uitkering uitsluitend plaatsvindt over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 1999 op grond van artikel 69, derde lid, van de Abw. De terug-vordering over de periode van 1 juli 1995 tot en met 31 oktober 1996 wordt alsnog gebaseerd op de artikelen 57 en 30 van de Algemene Bijstandswet (ABW) en die over de periode van 1 november 1996 tot en met 30 september 1999 op artikel 81, eerste lid (tekst vóór en vanaf 1 juli 1997), van de Abw. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voorzover in dit geding van belang - het tegen het besluit van 12 januari 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad overweegt het volgende. In dit geding dient te worden beoordeeld of appellante met [naam ex-echtgenoot] een gezamenlijke huishouding in de zin van achtereenvolgens artikel 5a, tweede lid, van de ABW, artikel 3, tweede en derde lid, van de Abw (tekst vóór 1 januari 1998) en artikel 3, derde en vierde lid, van de Abw (tekst vanaf 1 januari 1998) heeft gevoerd. Aangezien appellante en [naam ex-echtgenoot] met elkaar gehuwd zijn geweest is, gelet op het bepaalde in de hiervoor genoemde artikelen van de Abw, voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Abw bepalend of al dan niet komt vast te staan dat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Onder de werking van artikel 5a van de ABW dient niet alleen vast te staan dat appellante en [naam ex-echtgenoot] gezamenlijk in hun huisvesting voorzagen, maar moet tevens zijn voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Anders dan namens appellante is aangevoerd, is de Raad op grond van de bevindingen zoals weergegeven in het onderzoeksrapport van de sociale recherche van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellante en [naam ex-echtgenoot] gedurende het gehele hier aan de orde zijnde tijdvak een gezamenlijke huishouding in de zin van - achtereenvolgens - de ABW en de Abw hebben gevoerd. Evenals de rechtbank kent de Raad daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring die appellante in het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand tegenover de betrokken opsporingsambtenaren heeft afgelegd. De Raad ziet geen grond voor het standpunt van appellante dat zij niet aan deze verklaring mag worden gehouden. Niet is gebleken dat deze verklaring niet in vrijheid of onder onaanvaardbare druk is afgelegd. Appellante heeft haar verklaring, nadat zij deze had doorgelezen, per bladzijde ondertekend en daarbij geen enkel voorbehoud gemaakt. In hetgeen appellante daaromtrent heeft aangevoerd ziet de Raad voorts onvoldoende grondslag voor het oordeel dat zij ten tijde van haar verhoor in een zodanige psychische toestand verkeerde dat zij niet in staat was over haar relatie met [naam ex-echtgenoot] te verklaren. De Raad gaat dan ook uit van de juistheid van de op 18 april 2000 door appellante afgelegde verklaring, die hierop neerkomt dat zij en [naam ex-echtgenoot] na hun echtscheiding niet echt uit elkaar zijn gegaan en dat zij in feite vanaf 1994 hebben samengewoond, met dien verstande dat [naam ex-echtgenoot] bij ruzie wel eens een paar dagen weg was. Voorts is in dit verband van belang dat [naam ex-echtgenoot] tegenover de betrokken opsporingsambtenaren heeft verklaard dat hij veelvuldig, bijna dagelijks, in de woning van appellante was en dat vier getuigen, allen woonachtig in de directe nabijheid van de woning van appellante, hebben verklaard dat in de woning van appellante een gezin woonachtig was waartoe [naam ex-echtgenoot] behoorde. Ten slotte is van belang dat uit het onderzoek van de sociale recherche is gebleken de familie van appellante en van [naam ex-echtgenoot] ervan uit ging dat [naam ex-echtgenoot] bij appellante woonde. Aan het standpunt van appellante dat dit dient te worden verklaard uit hun culturele achtergrond, kan de Raad niet de betekenis toekennen die appellante daaraan gehecht wil zien. Dat in de periode waarop de ABW nog van toepassing is sprake is geweest van wederzijdse zorg, blijkt in de eerste plaats uit de financiële verstrengeling tussen appellante en [naam ex-echtgenoot]. Kortheidshalve verwijst de Raad naar de onderzoeksbevindingen ten aanzien van de huur van de woning van appellante, de huursubsidie en de servicekosten betreffende die woning alsmede ten aanzien van enkele verzekeringen, zoals samengevat weergegeven in het besluit op bezwaar van 12 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.