01/5497 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gedaagde, I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Maastricht op 9 oktober 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/222 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 23 maart 2004, waar appellante en haar raadsman met bericht niet zijn verschenen, en gedaagde werd vertegenwoordigd door mr. J.P.H.M. Quaedvlieg, werkzaam bij de gemeente Heerlen. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellante heeft op 2 maart 2000 een aanvraag ingediend om toekenning van een uitkering op basis van de Algemene bijstandswet (Abw). Gedaagde heeft deze aanvraag bij besluit van 31 oktober 2000 afgewezen op de grond dat appellante beschikt of kan beschikken over een vermogen dat is gelegen boven de vermogensgrens als bedoeld in de artikelen 52 en 54 van de Abw. Het tegen het besluit van 31 oktober 2000 gemaakte bezwaar is bij besluit van gedaagde van 6 februari 2001 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 februari 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er ten tijde in geding sprake was van schulden die bij de vaststelling van het vermogen in aanmerking dienden te worden genomen. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden. Artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens genoemd in artikel 54 van de Abw. Ten tijde in geding bedroeg deze grens voor een alleenstaande f 10.000,-. Volgens vaste jurisprudentie dienen de positieve bestanddelen van het vermogen slechts gesaldeerd te worden met schulden waarvan het bestaan in voldoende mate aannemelijk is geworden en waarvan tevens vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante op de aanvraagdatum - en ook nog ten tijde van de beslissing op de aanvraag - beschikte over een positief vermogensbestanddeel ter waarde van ruim f 12.000,-. Appellante heeft aangevoerd dat op dit positieve vermogensbestanddeel twee schulden in mindering hadden moeten worden gebracht, waardoor geen sprake was van vermogen boven de vermogensgrens, hetgeen had moeten leiden tot honorering van haar aanvraag. In de eerste plaats heeft appellante opgevoerd een schuld van f 75.000,- aan [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestaan van deze schuld niet aannemelijk is geworden. Weliswaar bevindt zich onder de gedingstukken een overeenkomst van geldlening van een bedrag van f 75.000,- tussen appellante en [betrokkene], gedateerd 30 september 1998, maar op geen enkele wijze is aangetoond dat sprake is geweest van een daadwerkelijke overdracht van dit bedrag van [betrokkene] aan appellante. Dit wordt niet anders door de in de bezwaarfase overgelegde brief van de accountant van appellante van 4 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.