02/20 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar op 25 oktober 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 00/32 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij wijze van verweer bij brief van 11 maart 2002 verwezen naar het in beroep ingenomen standpunt. Desgevraagd heeft gedaagde nog enkele stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 maart 2004, waar appellante in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Blom, werkzaam bij de gemeente Alkmaar. II. MOTIVERING De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellante ontving sedert 17 oktober 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande in aanvulling op inkomsten uit arbeid. Op 27 mei 1998 ontving appellante uit de nalatenschap van haar moeder in verband met de verkoop van een woning een bedrag van f 100.000,-- op haar girorekening. Dit gegeven vormde voor gedaagde aanleiding om bij besluit van 14 januari 1999 (hierna: besluit 1) het recht op uitkering van appellante over de periode van 17 oktober 1996 tot 1 oktober 1997 op nihil te stellen. Bij besluit van eveneens 14 januari 1999 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde bepaald, onder verwijzing naar artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw en onder aftrek van schulden en het vrij te laten vermogen, een bedrag van f 8.415,04 van appellante terug te vorderen. De tegen de besluiten 1 en 2 gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 16 november 1999 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde geen rekening gehouden met de vrijlating welke geldt bij het vestigen van een krediethypotheek en heeft hij de waarde van de woning bepaald op de waarde in het economisch verkeer op het moment dat appellante kon beschikken over de uit de verkoop van de woning beschikbare middelen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 16 november 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De Raad overweegt het volgende. Ingevolge het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw worden kosten van bijstand van de belanghebbende teruggevorderd voorzover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken. Aan dit artikel ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, moeten worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de Abw. Of het bijstandverlenend orgaan op basis van dit artikel dient over te gaan tot terugvordering hangt af van de vraag of de ontvangen middelen betrekking hebben op een periode waarover eerder bijstand is verleend en of de ontvangen middelen, teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden, tezamen met de toen aanwezige (overige) vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatingsgrens, de vermogensgrens als bedoeld in artikel 54 van de Abw overschrijden. Anders dan gedaagde meent betekent dit niet, zoals de rechtbank kennelijk ook van oordeel is, dat door gedaagde over de periode van 17 oktober 1996 tot 1 oktober 1997 onverschuldigd bijstand aan appellante is betaald. Er is immers wel degelijk terecht, wegens een (tijdelijk) gebrek aan middelen, bijstand verleend, die later na het ter beschikking komen van middelen vanaf het moment van het ontstaan van de aanspraak daarop wordt teruggevorderd. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, is in een dergelijk geval geen plaats voor een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2001, nr. 98/8401, onder meer gepubliceerd in USZ 2001/193). In zoverre slaagt het hoger beroep en dient het besluit van 16 november 1999, voorzover daarbij besluit 1 is gehandhaafd, te worden vernietigd, alsmede in zoverre de aangevallen uitspraak. Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad dat onbetwist vaststaat dat appellante aanspraak had op haar erfdeel vanaf de datum van het overlijden van haar moeder, te weten 10 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.