E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/2576 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft J.G. Bezuijen, belastingconsulent te Purmerend, op bij aanvullend beroepschrift van 26 juni 2002 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 29 maart 2002 gewezen uitspraak, nummer 01/2918, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 april 2004, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.O. Voors, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Appellante exploiteert een automobiel- en garagebedrijf. In periodes waarin het werkaanbod de capaciteit overschrijdt doet appellante een beroep op de freelance-autoschadehersteller [we[werknemer] (hierna: [werknemer]) om werkzaamheden voor haar te verrichten. Naar aanleiding van een bij appellante gehouden looncontrole heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat [werknemer] voor appellante in een verzekeringsplichtige arbeids-verhouding werkzaam is geweest en dat appellante derhalve over de door haar aan [werknemer] verrichte betalingen premies verschuldigd is. In verband hiermee heeft gedaagde appellante op 26 mei 2000 en 31 mei 2000 een correctienota en de daarmee samenhangende administratieve boetenota doen toekomen over het premiejaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.