01/6203 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante is R.T. van Baarlen, werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep te Zwolle, op bij beroepschrift van 3 december 2001 aangegeven gronden, bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam onder dagtekening 24 oktober 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. Premie 00/2537, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is bij brief van 10 juli 2002 van verweer gediend. Namens appellante is een nader stuk ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 9 maart 2004, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde Van Baarlen, voornoemd, alsmede bij J.J. Tabak, eveneens werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep te Zwolle. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Naar aanleiding van een namens appellante, een agrarisch loonbedrijf, bij gedaagde ingediend deblokkeringsverzoek, heeft er over de jaren 1996 en 1997 bij appellante een looncontrole plaatsgevonden. In dit onderzoek heeft gedaagde betrokken de verkoop- en loonadministratie van appellante. Tevens heeft gedaagde aan [naam opdrachtgever], de enige opdrachtgever van appellante in de jaren 1996 en 1997, een aantal vragen voorgelegd, die deze heeft beantwoord aan de hand van door hem persoonlijk bijgehouden aanteke-ningen, waarin per werknemer, per dag, het geplukte aantal stekken is opgetekend. [naam opdrachtgever] heeft desgevraagd aangegeven dat het gemiddelde aantal stekken varieert tussen de 2000 tot 3000 per uur, met incidentele pieken, met name gedurende de zomer-maanden, van 3500 per uur, en voorts dat gedurende de zomermaanden, inclusief werkgever en zijn echtgenote acht tot negen personen op het bedrijf werkzaam zijn, en dat dit aantal in de wintermaanden zeven personen bedraagt. Uitgaande van een gemiddelde urenomzet van 2500 stekken, heeft gedaagde geconstateerd dat blijkens de verkoopadministratie over 1996 door appellante 13.542 uur is geleverd. In de loonadministratie is, rekening houdend met het door werkgever en zijn echtgenote gewerkte urenaantal echter 11.327 uur verantwoord, hetgeen ten opzichte van de verkoopadministratie een tekort geeft van 2.215 (afgerond 2.200) uur. In verband met dit verschil heeft gedaagde over 1996 een correctie opgelegd, waarbij gebruteerd is met het anoniementarief voor de loonheffing. Bij besluit op bezwaar van 30 oktober 2000 heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd. Bij aangevallen uitspraak van 24 oktober 2001 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2000 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen die uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ter zitting van de Raad is namens gedaagde naar aanleiding van de grief met betrekking tot de toepassing van de brutering met het anoniementarief voor de loonheffing aangegeven dat hiertoe ten onrechte is overgegaan, daar is gebleken dat de belasting-dienst over het jaar 1996 geen loonheffing heeft nageheven. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de Raad reeds hierom het bestreden besluit niet in stand blijven en dient deze te worden vernietigd. Gedaagde zal ter zake daarvan nog een nieuw besluit dienen te nemen. Vervolgens dient de Raad te beoordelen of het bestreden besluit om een andere reden niet in stand kan blijven. Daartoe overweegt de Raad als volgt. De Raad ziet in verband met de ter zake dienende gegevens, evenmin als de rechtbank, grond voor het oordeel dat de wijze waarop gedaagde tot de schatting is gekomen, de rechterlijke toets niet kan doorstaan. De grieven van appellante inhoudende dat gedaagde zich niet kon baseren op de antwoorden van [naam opdrachtgever] en dat gedaagde ten onrechte het schriftje van [naam opdrachtgever] niet heeft overgelegd, dienen naar het oordeel van de Raad te falen. De Raad overweegt daartoe dat gedaagde zich bij zijn onderzoek kon en mocht baseren op de antwoorden van [naam opdrachtgever]. In de eerste plaats zijn de antwoorden van [naam opdrachtgever] op de vragen van gedaagde direct gebaseerd op de aantekeningen in zijn schriftje, terwijl er geen reden is om aan te nemen dat de antwoorden afweken van de gegevens uit het schriftje. Ten tweede blijkt niet uit de stukken dat appellante de juistheid van de antwoorden van [naam opdrachtgever] ooit heeft bestreden. Dat de persoonlijke aantekeningen van [naam opdrachtgever] niet door gedaagde zijn overgelegd, leidt de Raad in deze niet tot een ander oordeel. Voorts heeft gedaagde naar 's Raads oordeel geen onjuist uitgangspunt genomen door een gemiddelde van 2500 stekken per uur aan te houden, gelet op het feit dat [naam opdrachtgever] verklaard heeft dat de gemiddelde prestatie tussen de 2000 en 3000 stekken per uur lag. Bovendien merkt de Raad op dat een gemiddeld aantal van 2500 stuks in lijn ligt met de cijfers uit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.