02/743 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. J.J.G. Palmen, werkzaam bij PPA Buro voor publiekrecht en ondernemer te Brunssum, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Maastricht op 4 januari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 01/19 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 13 april 2004, waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet, werk-zaam bij de gemeente Heerlen. II. MOTIVERING De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten die de rechtbank in rubriek II van de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen. In geding is de vraag of het besluit van 14 november 2000, genomen na door appellant gemaakt bezwaar tegen het besluit van 12 april 2000, in rechte stand kan houden. Dit besluit strekt ertoe dat gedaagde op de aan appellant toekomende bijstand gedurende de periode van 1 oktober 1998 tot 31 mei 1999 een bedrag van f 6.400,-- heeft verrekend in verband met de aan appellant gedurende die periode verstrekte bijdragen vanwege het Noodfonds Vluchtelingen Zuid-Limburg (hierna: Noodfonds). Tevens heeft gedaagde bij dat besluit tot een bedrag van f 3.660,71 aan kosten van bijstand van appellant teruggevorderd. Die vraag is in de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat gelet op de beschikbare gegevens gedaagde terecht heeft vastgesteld dat appellant, die de ontvangst van de bijdragen van het Noodfonds tot een bedrag van f 2.400,-- heeft erkend en gedaagde toestemming heeft gegeven dit bedrag rechtstreeks van zijn uitkering aan het Noodfonds over te maken, alle door het Noodfonds uitgekeerde bedragen van in totaal f 6.400,-- in die periode ook daadwerkelijk heeft ontvangen. Voorts bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen grond het niet erkende bedrag van f 4.000,-- als gift met toepassing van artikel 44 van de Algemene bijstandswet (Abw) bij de vaststelling van de middelen van appellant niet in aanmerking te nemen. Aldus heeft gedaagde naar het oordeel van de rechtbank terecht op de aan appellant toekomende bijstand in die periode een bedrag van f 6.400,-- gekort. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voorzover het betreft de verrekening van een bedrag van f 4.000,-- dat door gedaagde is beschouwd als een door het Noodfonds verstrekte bijdrage op de aan hem toekomende bijstand over de periode van 1 oktober 1998 tot 31 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.