01/2222 NABW 03/1105 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem op 2 maart 2001 onder reg.nr. 00-8199 NABW tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr. G.F.H. Velthuizen, advocaat te Zaandam, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 16 december 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Ph.H. Arnold, werkzaam bij de gemeente Zaanstad, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. S.S.H. Orsel, kantoorgenoot van mr. Velthuizen. De Raad heeft het onderzoek heropend en appellant verzocht nadere stukken in te zenden, aan welk verzoek appellant bij brief van 12 januari 2004 gevolg heeft gegeven. Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant heeft aan gedaagde en haar toenmalige echtgenoot [naam echtgenoot] (hierna: [naam echtgenoot]) met ingang van 7 februari 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor gehuwden. Met ingang van 2 november 1997 heeft appellant de uitkering van gedaagde herzien naar de norm voor een alleenstaande. Uit informatie van de belastingdienst is appellant gebleken dat [naam echtgenoot] in de periode van 1 februari 1996 tot en met 30 juni 1997 inkomsten uit arbeid bij schoonmaakbedrijf Vlietstra te Franeker heeft gehad. Omdat gedaagde en [naam echtgenoot] daarvan aan appellant geen mededeling hadden gedaan, heeft appellant bij besluit van 6 juli 2000 de uitkering van gedaagde over de periode van 1 (lees: 7) februari 1996 tot en met 30 juni 1997 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw herzien. Tevens heeft appellant bij dat besluit de in de genoemde periode teveel verleende bijstand ten bedrage van f 19.427,07 van gedaagde teruggevorderd. Bij besluit van 25 augustus 2000 heeft appellant het besluit van 6 juli 2000 herroepen in die zin dat de terugvordering van de teveel verleende bijstand wordt gebaseerd op artikel 81, eerste lid, van de Abw zoals die bepaling tot 1 juli 1997 luidde. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van gedaagde tegen het besluit van 25 augustus 2000 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe in de aangevallen uitspraak, waarin gedaagde als eiseres en appellant als verweerder is aangeduid, het volgende overwogen: " Het geding spitst zich toe op de vraag of sprake is van dringende redenen om (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering. Op grond van artikel 78, lid 3, van de Abw kan geheel of gedeeltelijk worden afgezien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Aan de Nota van toelichting op dit artikel ontleent de rechtbank het volgende: " Gezien de omstandigheden van persoon en gezin kunnen er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Indien terugvordering te ernstige gevolgen voor betrokkene of de gezinssituatie zou kunnen hebben, dient toepassing van dit artikellid te worden overwogen. Bij dringende redenen is niet primair of uitsluitend gedacht aan financiële redenen. De redactie laat ruimte voor het meewegen van zowel financiële als niet-financiële omstandigheden. Nadrukkelijk geldt dat steeds van geval tot geval aan de hand van alle omstandigheden de situatie van betrokkene moet worden beoordeeld.". (Kamerstukken II 1191/92,22545 nr. 3 p. 170). Uit de wet noch uit de hierboven aangehaalde toelichting op de wet is naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat de wetgever het onmogelijk heeft geacht dat geheel of gedeeltelijk van terugvordering zou kunnen worden afgezien om dringende redenen die hun oorsprong vinden in de verhoudingen binnen het gezin. De rechtbank deelt derhalve niet het standpunt van verweerder dat het (gedeeltelijk) afzien van terugvordering om deze redenen diametraal tegen het systeem en de bedoeling van de wet zou ingaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de verhouding tussen eiseres en haar echtgenoot problematisch was en eiseres niet op de hoogte is geweest van het feit dat haar echtgenoot inkomsten genoot. De rechtbank acht van belang, dat eiseres hoogstwaarschijnlijk niets zal kunnen verhalen op haar echtgenoot, nu deze inmiddels naar het schijnt definitief gevestigd is in Marokko. Onder deze omstandigheden ontstaan naar het oordeel van de rechtbank voor eiseres, mede gelet op haar persoonlijke omstandigheden, te ernstige gevolgen, indien zou worden vastgehouden aan volledige terugvordering van de teveel betaalde bijstand, zodat verweerder niet in redelijkheid tot een volledige terugvordering kon besluiten. De rechtbank merkt hierbij op dat een terugvordering die is beperkt tot de helft van het bedrag de rechterlijke toets wel zou kunnen doorstaan.". Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Voorts heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 29 mei 2001 de terugvordering van de bijstand op gedaagde beperkt tot de helft van de teveel betaalde bijstand, zijnde een bedrag van f 9.713,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.