04/1400 NABW-VV 04/1248 NABW U I T S P R A A K van DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen: [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gedaagde. I. INLEIDING Verzoeker heeft bij gemachtigde, J.S.H. Benders, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 2 februari 2004, reg.nrs. 04/41 NABW VV en 04/40 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 11 maart 2004 is verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 april 2004, waar verzoeker in persoon is ver-schenen, bijgestaan door zijn gemachtigde Benders, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W. Savelbergh, werkzaam bij de gemeente Heerlen. II. MOTIVERING Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzie-ningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofd-zaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningen-rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij besluit van 25 juli 2003 heeft gedaagde de bijstandsuitkering van verzoeker met in-gang van 15 oktober 2002 ingetrokken en tevens het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van een bril alsnog herzien (lees: ingetrokken). Bij besluit van 26 augustus 2003 heeft gedaagde de over de periode 15 oktober 2002 tot 1 mei 2004 betaalde kosten van algemene en bijzondere bijstand tot een bedrag van € 5.800,03 van verzoeker teruggevorderd. Bij besluit van 9 december 2003 zijn de namens verzoeker tegen de besluiten van 25 juli 2003 en 26 augustus 2003 gemaakte bezwaren wegens overschrijding van de voor het indienen van een bezwaarschrift gestelde termijn niet-ontvankelijk verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het namens verzoeker ingestelde beroep tegen het besluit van 9 december 2003 ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het hoger beroep overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat op grond van het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen de besluiten van 25 juli 2003 en 26 augustus 2003 is aangevangen op respectievelijk 26 juli 2003 en 27 augustus 2003 en eindigde op 5 september 2003 respectievelijk 7 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.